Nu nog beeldentuin, straks verkeersweg

Op de landerijen rondom de boerderij van zijn ouders bouwde Hib Anninga zonder een cent subsidie een toonaangevende beeldentuin. Nu verliest hij een groot deel van dat met engelengeduld aangelegde park – aan een nieuwe vierbaansweg.

Hij spreidt een topografische kaart uit in de woonkamer van de vroegere boerderij van zijn ouders, en maakt een zaagbeweging met zijn vlakke hand. „Dat stuk land gaat eraf, en dat.” De in Overijssel geboren en getogen Hib Anninga (1940) zegt het schijnbaar onaangedaan. Want het water voor de thee kookt, de koekjes kunnen nog op een schotel. Als ik zo naar buiten ga, de regen in, om de beelden voor zijn zomertentoonstelling buiten te bekijken, moet ik maar kaplaarzen lenen. Welke maat ik heb? En hij heeft ook nog wel een jas.

Hib Anninga is van alles. Hij is een boerenzoon die weet hoe hij in de lente lammetjes, biggetjes en kalfjes moet halen: in de stallen van zijn vader bracht hij er als kind tientallen ter wereld. Hij is een fanatiek liefhebber van hedendaagse kunst, zowel figuratief als abstract, bekend en onbekend. In zijn woonkamer dompelen lila-roze koorknapen op een metersbreed schilderij van Rinke Nijburg alles in een zacht smeltend licht. Een antieke eikenhouten kast wordt omlijst door twee reusachtige zwart-wit tekeningen van Janpeter Muilwijk. Anninga is een soort galeriehouder zonder echte galerie, ex-medewerker van een bank in Amsterdam, maar vooral eigenaar van de meest professionele beeldentuin in Nederland: de Anningahof nabij Zwolle. Die beeldentuin is het best bewaarde zomerse kunstgeheim in Nederland.

Anninga woont op de boerderij. De oude schapen- en koeienstallen zijn verbouwd tot bezoekers- en tentoonstellingsruimte, waar je voor een grijpstuiver koffie, thee en wijn kunt kopen. Het beeldenpark begint bij de achterdeur. De afgelopen tien jaar heeft Anninga dat park met het engelengeduld van de buitenmens aangelegd, vormgegeven, gesnoeid en ingezaaid – zonder daar ooit veel ruchtbaarheid aan te geven. Het was grasland dat er lag, vlak en op sommige delen zompig, met hier en daar een wilgje. Het was het land van zijn vader en moeder die er hun koeien en schapen hielden. Aan de overkant van de dijk, tegenover de boerderij, slingert de Overijsselse Vecht, aan de andere kant rukt Zwolle op, met snelwegen en bedrijventerreinen.

Dit land van zijn ouders, zes hectaren groot, zal Hib Anninga binnenkort verliezen – voor bijna de helft althans. Want de gemeente Zwolle en de provincie Overijssel gaan de provinciale weg die langs de boerderij en ommelanden loopt, verbreden tot een vierbaansweg die op de A28 aansluit. De weg zal, als alles volgens plan gaat, vanaf 2014, midden door het park lopen. Bijna drie hectaren gaan verloren, hectaren waarop natuur en kunst de laatste jaren zo’n wonderlijk mooie symbiose aangingen. De overheid biedt de eigenaar van de beeldentuin ter compensatie andere grond aan.

Anninga leunt opnieuw over de plattegrond. „Wat ik hier heb aangelegd, is onbetaalbaar”, vindt hij. „De gemeente heeft me nieuwe grond toegezegd, maar dan moet ik wel langs die boerderij daar die het zicht blokkeert.” Of hij het aanbod accepteert moet nog blijken. De onderhandelingen tussen Anninga en de overheid over de compensatie beginnen komende maand.

Het verhaal van Hib Anninga is opmerkelijk, en niet alleen omdat het tegenwoordig niet meer vanzelfsprekend is dat je op volwassen leeftijd je huis in de grote stad verkoopt, je vrienden en netwerk gedag zegt en terugkeert naar de boerderij waar je opgroeide. Hib Anninga deed dat toen zijn ouders hulpbehoevend werden. Dat was tien jaar geleden. Zijn vader was 89, zijn moeder 88. Hib zei vanuit Amsterdam: „Ik ga toch met pensioen bij de bank. Ik kom weer bij jullie wonen, kan ik mooi voor jullie zorgen.” De zaak werd verdeeld tussen Hib en zijn broer die op een boerderij in de Noordoostpolder zat. Hib kocht de gebouwen met de opbrengst van zijn huis aan de Prinsengracht in Amsterdam. De zes hectaren grond kreeg hij.

„Mijn vader zei me: ‘Jongen, dieren zijn prachtig, maar vooral in de lente.’ Daarmee bedoelde hij: doe wat anders dan ik.” En dat deed Anninga. Hij bestelde een joekel van een kastanjeboom die hij met een gigantische verplanter liet verplaatsen. Hij kocht zestig grote bomen, een paar honderd middelgrote en duizenden kleine boompjes. Achter in het weiland plantte hij moerascipressen. Middenin kwam een eikenbosje. Er kwamen vijvers, graslanden, bosschages, heuvels, veel bloemen – en kunst.

Ook om die kunst is Anninga opmerkelijk. Juist deze maanden eist de overheid dat de kunsten geld moeten ophalen uit particuliere hoek. Anninga is zo’n particulier, die zijn beeldentuin zonder één cent subsidie drijft en zonder winstoogmerk elke zomer zijn poorten opent voor publiek. Anninga is zeven dagen per week op zijn domein, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. Hij doet zelf de boel ‘buiten’, zijn vriend en adviseur Ben Loerakker, architect, richt de onlangs door Rudi Fuchs geopende tentoonstellingsruimte binnen in. Van mei tot en met oktober is op de Anningahof een tentoonstelling te zien met gemiddeld zo’n tachtig buitenbeelden en zeventig binnenbeelden van vooral Nederlandse kunstenaars. Dat is bijzonder – want zeg nou eerlijk: zoveel ruimte geven de Nederlandse musea niet aan Nederlandse beeldhouwers. Sommige van de tentoongestelde beelden koopt Anninga aan – deze blijven permanent in het park – andere komen in consignatie en verkoopt hij door voor de kunstenaars. Gemiddeld eenderde van de kunstwerken is steeds nieuw. Anninga betaalt transport, verzekeringen, de plaatsing van de beelden en het onderhoud. 20.000 euro kost hem dat jaarlijks. Bezoekers betalen 7 euro entree, krijgen daarvoor een catalogus en uitleg van een van de zes vrijwilligers of van Anninga zelf als ze hem tegen het lijf lopen. Voor het onderhoud van het park kwam tot voor kort Anninga’s broer over met de tractor en ander zware machinerie. Maar dat is voorbij, want zijn broer is overleden.

Net als bij Geert Verbeke van de vergelijkbare Vlaamse Verbeke Foundation (zie kader) worden bij Anninga grote dimensies en experimenten in de kunst niet geschuwd. Vergeet dus het tuttige imago dat veel beeldentuinen aankleeft. Vergeet het expressionistische stuk brons of de keramieken vrouwenfiguur op een sokkel die je vaak met beeldentuinen associeert. „Ik moet er niet van wakker liggen dat het gejat wordt”, zegt Anninga. Dat is ook een criterium. De zes hangende mannen, een beeld van Tom Claassen, die aan de rand van het domein stroef in de wind bewegen, zijn een voorbeeld van zo’n reusachtig bouwwerk. Ook het op zijn kop gelegde, opgeblazen afwasrek van de jonge beeldhouwer Maze de Boer is zo’n zorgeloos makend, niet te vernielen kunstwerk.

Vooral op de open stukken grasland – ‘tapijten’ als het ware – staan de abstracte werken. Daar ligt een hallucinerende reuzencirkel van hout van de Belgische kunstenaar Marc De Roover (1948), waar je omheen kunt lopen, overheen kunt stappen, naast kunt gaan liggen in het gras als het niet regent. Verderop, in het uit 2010 daterende Rubberhuis, een op bijenwas lijkende kubus van het architectenduo Zeinstra & Van Gelderen, kun je je als een monnik in je cel terugtrekken en door de dikke muren heen luisteren naar de vogels en de wind die lispelt in de berkenbomen.

Figuratief werk duikt vooral op in de dichte elzenbosjes, met lissen begroeide vijvers en tussen hoog opschietend gras – de ‘hoeken’ en ‘gaten’. En ook hier blijkt dat Anninga zijn keuze niet beperkt tot de standaardcanon. Hij speurt en zoekt op plaatsen waar maar weinig museumdirecteuren komen. Zo leert hij in 2006 in het net geopende kunstenaarsinitiatief De Service Garage in de oostelijke havens van Amsterdam het werk van de dan nog studerende Wouter Klein Velderman kennen. Diens van hout en plastic gebouwde Vrachtwagen (2006) – een grappig sullige kopie van een echte truck – hangt op de Anningahof scheef tegen een boom, zogenaamd van het pad geslipt. Oudere kunstenaars als Cornelius Rogge (1932) of Arie Berkulin (1939) zijn zeker aanstormend geweest in de jaren zestig en zeventig, maar inmiddels nog maar zelden in Nederlandse musea te zien.

Hoe onterecht dat is, blijkt op de Anningahof, waar Rogge een complete armada uit staal aan de grond heeft laten lopen. Zestien Zieleschepen (2010) toont Rogge, met bruine zeilen en een deklast die bestaat uit hout, metaal en uit fantastische, in de wind draaiende objecten. De schepen doen denken aan dodenschepen, uitvergroot speelgoed, rouwgondels, roeiboten, vissersschuiten, maar ook aan mythische schepen als dat van de Vliegende Hollander. Voor je het weet duiken ze onder het gras of stijgen op. Deze stoet van schepen werkt prachtig als metafoor voor aankomst en vertrek, en vooral voor alles wat daartussen gebeurt. Ze is de ultieme verbeelding van wat Anninga’s vader bedoelde toen hij tien jaar geleden tegen zoon Hib zei: „Jongen, het maakt me niet uit wat je met ons land doet, als je maar zorgt dat het mooi wordt.”

Landgoed Anningahof. T/m 30 okt, Hessenweg 9, Zwolle. Wo t/m zo 13-18u. Inl. 038-4534412 of www.anningahof.nl