Na arrestatie van Hadzic wordt Servië normaal land

Nu alle gezochte oorlogs- misdadigers zijn opgepakt, kan de aandacht in het voormalige Joegoslavië uitgaan naar regionale verzoening.

Een moeilijke taak zit er op voor de Servische regering. Twintig jaar na het begin van het bloedvergieten in voormalig Joegoslavië zijn eindelijk alle verdachten op de lijst van het Joegoslaviëtribunaal opgepakt. Dat moet goed voelen.

President Boris Tadic klonk woensdag, toen hij de arrestatie van Goran Hadzic wereldkundig maakte, echter minder triomfantelijk dan op 26 mei, na de arrestatie van Ratko Mladic. Zijn formuleringen waren ingetogener. Na het oppakken van Mladic was zijn boodschap: ‘Wij hebben ons werk gedaan, nu is de EU aan zet.’ Nu lag de nadruk anders. Tadic zei: „Dit is geen ruilhandel, we doen dit voor onze burgers, voor andere landen, voor de slachtoffers, voor de verzoening in de regio.”

Hadzic heeft, als politicus en smokkelaar die van de oorlog heeft geprofiteerd, niet de mythische status en populariteit van Mladic. Daarom is de impact van zijn arrestatie kleiner.

De meest uitgesproken reacties op de arrestatie kwamen nog uit Kroatië. Hadzic zaaide daar als een van de aanvoerders van de etnische Serviërs haat en is volgens de aanklacht medeverantwoordelijk voor massamoord. De Kroatische president Ivo Josipovic vatte de arrestatie op als een stap in de goede richting, waarbij echter nog een lange weg is te gaan. ,,Ik denk dat het goed is als Servië een catharsis doormaakt met betrekking tot de oorlog”, zei hij.

Nu kan alle aandacht gaan naar de regionale verzoening. De eerste stappen zijn gezet. Afgelopen maandag namen Josipovic en Tadic deel aan een unieke ontmoeting. Voor het eerst sinds de oorlogen troffen zowel de presidenten van Kroatië en Servië als het driekoppig presidentschap van Bosnië-Herzegovina elkaar voor informeel overleg. De locatie, het Kroatische eiland Veliki Brioni, was historisch beladen. Op Brioni werd twintig jaar geleden, in juli 1991, gepoogd met onderhandelingen het bloedvergieten bij het uiteenvallen van Joegoslavië te stoppen. Nu werd gesproken over vermiste personen en over toetreding tot de EU.

Brussel probeert de regeringen in de ex-Joegoslavische republieken te sturen met een mix van aan- en ontmoediging. Aan de ene kant is de boodschap dat de EU geen onopgeloste conflicten wil importeren. De landen zullen eerst moeten laten zien dat ze weer met elkaar door één deur kunnen, voor ze mogen toetreden. Het is bovendien evident dat de EU even te druk is met interne hervormingen en de redding van de muntunie, om verdere uitbreiding prioriteit te geven.

Tegelijk is het vooruitzicht ooit lid te worden, nog altijd de voornaamste aandrijver van hervormingen. Om dat middel niet teveel aan kracht te laten inboeten, moet ook af en toe een beloning worden gegeven. Een voorbeeld daarvan is de datum voor de toetreding van Kroatië.

Het signaal daarvan naar de buurlanden is dat hard werken moet, maar loont. In Servië, dat hoopt dit najaar kandidaat-lid te worden en graag een datum voor de opening van de onderhandelingen wil, dringt dat door. Nu aan de alles dominerende eis van uitleveringen is voldaan, komt de lange lijst economische en juridische hervormingen in beeld die daaronder hangt.

Dat vooruitzicht haalt wat van de glans van het begeerde lidmaatschap. Uit een recente peiling blijkt dat nog maar 53 procent van de Servische bevolking nu in een referendum voor toetreding zou stemmen. Dat beeld is vergelijkbaar met Kroatië, waar in de jarenlange onderhandelingen het enthousiasme aanmerkelijk taande. Lid worden van de EU staat meer en meer gelijk aan hard werken, steeds minder aan ruimhartige subsidies. In commentaren op de arrestatie van Hadzic klonk de wat vermoeide verzuchting: ach ja, Servië wordt een normaal land.