Moreau en Genet weer even samen in Avignon

Op het theaterfestival van Avignon trad Jeanne Moreau op in Le condamné à mort van Jean Genet. De legendarische Franse actrice heeft een verleden met de veelbesproken schrijver. „Leve de seks!”

Zij is in stralend wit, haar halflange, zilverwitte haar waait in de wind. Hij is in zwart, zijn pak strakgesneden. Als actrice Jeanne Moreau (83) en popster Étienne Daho (55) hand in hand de vlakke vloer van de Cour d’honneur van het Palais des Papes opkomen, krijgen ze van het tweeduizendkoppig publiek een ovationeel applaus. Het eenmalige concert was binnen 5 minuten uitverkocht, dus wie er zit, weet zich uitverkoren.

„Eerst een jeugdherinnering van Jean Genet”, begint Moreau, haar stem is sensueel doorrookt als altijd, laag, zwaar en voorbode van dramatiek. Een ongewenst kind was hij, zegt ze, heen en weer gesleept tussen stad en platteland, van weeshuis naar pleeggezin. Van diefstal beschuldigd, terwijl hij onschuldig was. Een eenzame, lieve jongen met een gouden hart, die vanaf dat moment van de ene in de andere gevangenis zal belanden. „Willen jullie dat ik een dief ben? Dan word ik er een.” Hij zwerft door Europa, vertelt Moreau vol empathie, bedelt, prostitueert zich, leeft in pure armoe, tussen vuil en ongedierte.

In het gevang begint hij te schrijven, wordt het middelpunt van spot. „Zulke gedichten schrijf ik iedere dag”, sneert een medegevangene. Maar Jean Genet gaat door, hij verzet zich tegen alles en iedereen. „Wij zijn zijn broers, wij zijn Jean Genet”, besluit Moreau theatraal met de beroemde woorden van Sartre.

De veelbesproken schrijver Jean Genet (1910-1986), wreed en geniaal, bewonderd en verguisd, schrijft Le condamné à mort (‘De ter dood veroordeelde’), zijn debuut, in 1941, op zijn 31ste, in zijn cel in de gevangenis van Fresnes, waar hij een gevangenisstraf uitzit voor de diefstal van boeken. Het is een lyrisch gedicht, in een klassieke versvorm van 60 kwatrijnen in alexandrijnen, een hommage aan homoseksuele, puur lichamelijke vervoering, Racine meets porno. Het gedicht combineert een perfecte, klassieke stijl en een rauwe tekst; zachte Franse poëtische klanken met de queeste naar gewelddadig genot; lyrische symbolen en vulgair argot.

In de jaren zestig zette de Franse componiste en zangeres Hélène Martin het acht pagina’s lange gedicht op muziek, met toestemming van Genet. Daho maakte een nieuw arrangement en vroeg Moreau of ze meedeed. Die was enthousiast. Ze had Genet eind jaren vijftig ontmoet via een gemeenschappelijke vriendin, Florence Malraux. Het klikte: ook zij had vroeger verkeerd in de troebele milieus van kleine misdaad, diefstal, prostitutie en donkere bars. Hij wachtte haar vaak op na afloop van een voorstelling, samen doken ze het nachtleven in, zij was het lokaas voor de jonge jongens die hij zocht. Genet schreef voor haar het scenario van de film Mademoiselle (1966), waarin haar sensualiteit van het doek af spat. Later volgde een rol in Rainer Werner Fassbinders Genetfilm Querelle (1982) en nu, op haar 83ste, komt ze weer bij Genet terug.

Het is een fascinerend beeld, de witte oude dame en de zwarte jonge god, naast elkaar in twee lichtbundels. De rockband van zanger en componist Etienne Daho – bas, drums, cello en twee elektrische gitaren – switcht tussen lichte rock en zoet chanson, van ritmische beat naar een plotselinge stilte. Daho zingt, Moreau zingzegt. Daho bereikt alle registers, neemt het leeuwendeel voor zijn rekening. Moreau zorgt voor het onderhuidse drama en de emotie. Weg met preutsheid, leve de seks, het is een ode aan het lichaam en aan het genot.

„Tristesse dans ma bouche! Adieu couilles aimés! Ton cou frais, ta main douce, ô môme avoir ton age”, verzucht Moreau. Wreed en hard, provocerend en ontregelend ook. „Suce son membre dur comme on suce un glaçon”, zingt Daho a capella en ook de volgende alexandrijnen zijn uitgesproken pornografisch.

Wie de tekst niet begrijpt en afgaat op de lichte, onthechte melodie van de chansonachtige muziek, zou kunnen denken dat hier een romantische jeugdliefde wordt bezongen. Niets is minder waar. De schoonheid is rauw, de zachtheid zit vol geweld, de dood wacht om de hoek. Het is vooral de dramatisch sensuele en betekenisvolle stem van Moreau die dat moet doen beseffen.

Moreau leest tot slot Genets toelichting op zijn gedicht, opgedragen aan de nagedachtenis van zijn vriend en medegevangene Maurice Pilorge „wiens lichaam en stralende gezicht mijn slapeloze nachten bevolken”. Iedere ochtend ging hij hem sigaretten brengen, „betoverd als hij was door de schoonheid, de jeugd en het lijden van de jonge Apollo”. Pilorge was veroordeeld tot de guillotine voor de moord op zijn Mexicaanse minnaar.

Dat later is gebleken dat Genet Pilorge alleen heeft gezien op een foto in de krant, doet er niet toe. „Ik verlang vrede van de dood”, zingzegt Moreau onder de stralende sterrenhemel tussen de eeuwenoude muren van het Palais des Papes. Het slotapplaus is overdonderend. Jeanne Moreau neemt de arm van haar ridder en verdwijnt met voorzichtige stap in de coulissen.

Margot Dijkgraaf

‘Le condamné à mort’, gezien 18 juli, Avignon. Verschenen op cd, bestellen via o.a. fnac.com, amazon.fr