'Mensheid maakt en breekt zijn eigen helden'

Guy Cassiers speelt in Avignon een stuk over de heilige Jeanne d’Arc en het beest Gilles de Rais. Bloed & rozen gaat over roem en verval.

„Maagden doen het altijd goed. In elke context. En de context, heren, is oorlog. Oorlog in tijden van budgettaire schaarste.”

Op de metalen schermen achter het podium worden close-ups geprojecteerd van een discussie tussen de Franse dauphin en enkele religieuze leiders. Ze fluisteren dat ze die gekke Jeanne d’Arc niet naar huis moeten sturen. Ze motiveert de manschappen, zonder dat het extra soldij kost.

Het is een van de meest sprekende scènes uit Bloed & rozen, de samenwerking tussen de Belgische regisseur Guy Cassiers en schrijver Tom Lanoye. Het stuk wordt, nadat het kort in Antwerpen op de planken heeft gestaan, morgenavond gespeeld in het Palais des Papes in Avignon. Ooit een pausenpaleis, nu een van de belangrijkste podia van het theaterfestival. Bloed & rozen toont de verheerlijking en veroordeling van twee iconische figuren uit de Franse geschiedenis: Jeanne d’Arc (1412-1431) en Gilles de Rais (1404-1440). Zij: een boerendochter en zelfverklaarde maagd die de Engelsen hielp verjagen uit Orléans. Hij: een aristocraat die zich na een militaire carrière te buiten ging aan sodomie en moord.

Tussen twee repetities door vertelt Cassiers dat het logisch is net deze twee uiteenlopende levens „als een spiegel” na elkaar te spelen. Ondanks het contrast tussen ‘witte’ Jeanne en ‘zwarte’ Gilles, streden ze beiden voor hun geloof en werden beiden door de mensen voor wie ze ooit vochten terechtgesteld na een religieus proces. Volgens Cassiers werd tijdens de repetities hun levensverhaal steeds actueler. „Het nieuws werd ons als het ware in de schoot geworpen”, glimlacht hij een beetje bitter. „Toen Tom [Lanoye] en ik de eerste lijnen van de voorstelling uiteenzetten, waren er al enkele misstanden binnen de Belgische kerk bekend. Maar het idee om mijn triptiek, die bestaat uit drie stukken over macht, aan te vullen met een voorstelling rond de Kerk en het gerecht, ontstond vooral uit een fascinatie voor het zeer specifieke taalgebruik binnen deze instituten.”

In Lanoyes flamboyante tekst vol literaire en historische verwijzingen zitten talrijke wenken naar recente gebeurtenissen. Zo start het blasfemieproces tegen Jeanne met een voor Vlamingen veelzeggende „Allez, zeg ne keer”. Een zinnetje dat werd geplukt uit de Danneels-tapes, de opnames waarin de Belgische kardinaal Danneels een pedofilieslachtoffer aanmoedigt de misdaden tegen hem niet openbaar te maken.

Cassiers hoopt vooral dat zijn werk aanzet om „op een andere manier na te denken over wat er vandaag allemaal gebeurt”. Hij benadrukt dat het stuk de kerkelijke wantoestanden overstijgt. De voorstelling toont hoe zowel Jeanne als Gilles werd gestuurd en gemanipuleerd door wie ze vertrouwden. „Hun publieke persoonlijkheid werd geconstrueerd door hun omgeving.” Dankzij spectaculair gebruik van projecties laat Cassiers niet alleen handelingen en gedachten van Jeanne en Gilles zelf zien, maar ook van wat er gebeurt achter hun rug. „De achterklap in de keuken waarin alles wordt beslist.” De pragmatische manier waarop publieke figuren gemaakt en gekraakt worden door hun omgeving is volgens Cassiers van alle tijden. Het heeft te maken met de soms „plotse nood aan een zondebok, een boeman”, aldus Cassiers. „Zelfs een verwerpelijke figuur als Gilles de Rais werd in eerste instantie door de Kerk getolereerd. Pas toen het eigen belang in gevaar kwam, werd hij uitgespuwd. In de geschiedenis zie je steeds weer hoe groepen zich profileren door te wijzen naar waar er gevaar dreigt. Alsof eliminatie hiervan alle problemen oplost.”

Hoewel Cassiers eerder op het theaterfestival van Avignon heeft gestaan, blijft het afwachten hoe het Franse publiek zal reageren op een buitenlands gezelschap dat een hedendaagse interpretatie brengt van twee figuren uit hun nationale geschiedenis. Dat er in het Nederlands, met Franse boventitels, wordt gespeeld, zal volgens de regisseur geen probleem zijn. „Veel Vlaamse gezelschappen toeren tegenwoordig door Frankrijk. Vooral de speelstijl spreekt hier aan: een haast filmische manier van acteren die toch werkt voor een publiek van 2.000 man. Dat is nieuw in landen als Frankrijk, waar ondanks de verminderde invloed van de Comédie Française nog heel theatraal wordt geacteerd.”