Maar liefst!

In iedere krant kom je dit woord of deze uitdrukking wel één keer per dag tegen. In de gratis bladen, de populaire, de provinciale, de kwaliteitspers, het maakt geen verschil. Alle gedrukte media zijn erdoor beslopen, geen heeft zich ertegen verweerd. Het woord liefst of de uitdrukking maar liefst. Kolonel Ghadaffi bleef maar liefst 62 minuten aan het woord. Kees heeft maar liefst 2 miljoen euro in de loterij gewonnen. Bij die kettingbotsing waren liefst 59 auto’s betrokken. Taalkundig bekeken is maar liefst een eigenaardige combinatie. Schrap je het woord maar, dan blijft de oorspronkelijke bedoeling bewaard. Doe je dat met liefst dan krijg je het tegendeel van de oorspronkelijke strekking. G. bleef maar 62 minuten aan het woord. Daarmee wordt gezegd dat dit voor zijn doen bescheiden is.

Maar dit is de verkeerde benadering. Volgens de dertiende uitgave van de Grote Van Dale (1999) is liefst de overtreffende trap van lief. Zij zag er van allen het liefst uit. Verder is maar liefst het equivalent van nota bene. Een voorbeeld uit het woordenboek: we moeten maar liefst 9 procent inleveren. Dat klinkt al behoorlijk verontwaardigd. Kijk je bij nota bene dan lees je dat deze uitdrukking wordt gebruikt om te kennen te geven dat je iets dwaas of onbehoorlijk vindt.

Hoe komt het dat maar liefst de laatste jaren, ik schat een decennium, zo populair is geworden? Ik denk dat met deze woorden voorzien wordt in een behoefte van onze nieuwe geest van de tijd. Zoals dat meestal gaat: lang geleden is het begonnen. In dit geval met de ontwikkeling van de televisie tot het grootste massamedium. In het eerste stadium verschenen alleen de beroepskrachten op het scherm: de omroepers die nu presentatoren worden genoemd, acteurs, politici die ‘in het nieuws’ waren, en in documentaires ook gewone mensen die binnen het gegeven kader iets te vertellen hadden.

Toen is gaandeweg dit medium gedemocratiseerd. Eerst zag je op het nieuws kinderen en pubers die, beseffend dat ze in beeld waren, begonnen te dansen, hun tong uitstaken, bekken te trekken. Daarna kwam de commerciële televisie, met een nieuwe fase in de strijd om de aandacht. Zou je nu, met niets anders dan de ervaring van dertig jaar geleden naar een reclameblok kijken, dan zou je soms kunnen denken dat er een gekkenhuis is losgebroken. Het gedrag dat je destijd alleen van een halvegare verwachtte, is tot norm geworden. Tot zover deze kant van de zich nog steeds verder verbreidende gewoonte: het trekken van de aandacht.

De geest van ieder tijdvak dringt door tot in de nerven van het dagelijks leven en dus zeker ook tot het taalgebruik. Onze tijdgeest schrijft voor dat we ons moeten profileren. Ik merk het bijvoorbeeld aan de radiopresentatoren van wie verreweg de meesten zich grappend, kirrend, desnoods juichend aandienen, hoewel ze niets anders aankondigen dan wat hun collega’s een jaar of twintig geleden ook al deden. En dan hebben we de verslaggevers in de kranten, wier enige werk het is, het nieuws zo duidelijk en objectief mogelijk op te schrijven. Belangrijk werk, maar je profileert je er niet mee. Zo kom je vanzelf in de verleiding het nieuws een beetje aan te dikken. Aandikken, ook een woord voor een diagnose van de tijdgeest. Je laat weten dat het nieuws dat je openbaart nog veel bijzonderder is dan de lezer misschien had gedacht. Om ieder misverstand te vermijden voeg je er ‘maar liefst’ aan toe. Het betekent niets, maar toch: dat zal de lezer leren!