Komiek die hield van serieus theater

Op 3 november 1979 speelde Johnny Kraaijkamp de titelrol in Koning Lear van Shakespeare. Volgens deze krant was de voorstelling „een ramp, maar een interessante”. Kraaijkamp vertolkte de oude koning, die zijn rijk verdeelt onder zijn dochters, als een tragische clown. Artistiek leider van het Ro Theater was Franz Marijnen. Hij zag Kraaijkamp en dacht: „Die man moet Koning Lear spelen.” In Shakespeares tragedie verandert een koning in een bedelaar en een bedelaar wordt koning. Wie zou die rolwisseling mooier kunnen vervullen dan Kraaijkamp?

Het was een uitzinnige vertoning, destijds in de oude Rotterdamse Schouwburg. Kraaijkamp was serieus en geconcentreerd, niet de komiek die we altijd wensten te zien. Hij kreeg van de regisseurs een handicap mee: zijn gezicht was beplakt met rubber, waardoor hij zijn mimische gaven niet ten volle kon benutten. Toch schreef Kraaijkamp met deze vertolking geschiedenis. Hij was de enige acteur in het ensemble die zich rechtstreeks tot de zaal richtte. In het repertoiretoneel was dat ongebruikelijk.

Kraaijkamp heeft altijd een geheime liefde voor het serieuze theater gekoesterd. Het bezorgde hem geen faam, betekende evenmin zijn doorbraak. Behalve Koning Lear speelde hij belangrijke rollen in Jacques de fatalist en zijn meester van Diderot, in Wat u wilt van Shakespeare en in stukken van Von Kleist en Pinter. Niet het geringste toneelrepertoire. Collega-acteur Pierre Bokma vroeg zich onlangs af wat Kraaijkamp toch zocht in het literaire wereldrepertoire. Was hij als komiek niet verdwaald in het ernstige genre?

Marijnen zag in de komiek de tragicus. Dat was een schot in de roos. Na Kraaijkamp werd het zelfs een heuse mode en een echte trend komieken en cabaretiers in het repertoiretoneel te betrekken: Freek de Jonge speelde de Nar, ook al in Koning Lear. Bert Visscher, Viggo Waas en Peter Heerschop zorgden ervoor dat De reis om de wereld in 80 dagen bij het Zuidelijk Toneel een theaterhit werd.

Kraaijkamp zei in een interview dat „er niet één, maar wel tien personages in mij leven”. Die vele personages wilden allemaal aan bod komen, niet alleen de komische, ook de tragische. Hij zei ook: „Het verschil tussen het komische en dramatische is slechts een nuance.” Als geen ander verstond Kraaijkamp de kunst in humor altijd iets van tragiek te laten meeklinken en omgekeerd. Daarom zocht hij naar nieuwe kansen in het repertoire, die hij niet vond in de komische sketch. Kraaijkamp was hiermee een van de allereersten, en in elk geval de grootste.