In de voetstappen van Byron

Zes jaar lang hadden we geproefd van de cultuur der klassieken. Drie in onze eindexamenklas besloten om, na het examen, naar Griekenland te gaan. Dat was immers, zo was ons geleerd, de bakermat van die cultuur en van de onze. In die tijd had het massatoerisme Griekenland nog niet bereikt. We gingen per vrachtboot, met eindbestemming Piraeus, de haven van Athene.

Maar in de voorlaatste haven, Patras, verlieten we het schip. We wilden namelijk eerst een bedevaart maken naar het nabijgelegen eiland Ithaka, het vaderland van Odysseus. Dit plan werd ons in Patras uit het hoofd gepraat. Op Ithaka viel niets te beleven, en de verbindingen met dit eiland waren moeizaam. Zakynthos, van de Ionische eilanden het dichtst bij Patras gelegen, werd ons aanbevolen.

Inderdaad, Zante – zoals de Venetianen het eiland noemden (fior di Levante) – was een parel, niet wegens de ruïnes uit de klassieke tijd (die wij er niet ontdekten), maar wegens zijn natuur, met zijn baaien en heuvels. Vanaf de hoogste had je een prachtig uitzicht op de andere Ionische eilanden. De gelijknamige hoofdstad had een duidelijk Venetiaans karakter (sindsdien vernield in een aardbeving).

Dit was evenwel de enige uitzondering op ons plan die we onszelf veroorloofden. De rest van ons zesweekse verblijf werd gewijd aan de adoratie van elk overblijfsel uit de klassieke tijd dat we tegenkwamen. Voor de resten uit de nakomende Byzantijnse en Frankische tijden hadden we amper oog.

Kortom, we waren, zonder het te weten, nakomelingen van de filhellenen, die bewonderaars van de Griekse cultuur die, in het begin van de negentiende eeuw, hadden geholpen Griekenland te bevrijden van de eeuwenlange Turkse overheersing. Lord Byron was de bekendste van hen. Hij stierf in Missolonghi (eigenlijk Mesolongion), aan de Adriatische kant van Griekenland.

Het juk van de West-Europese filhellenen was anders dan het Turkse, maar ook zwaar. Zij verwachtten dat de Grieken beantwoordden aan het klassieke ideaal waarmee zij – maar niet de Grieken zelf – waren opgegroeid. Die romantische verwachtingen moesten op een teleurstelling uitlopen, want de tussenliggende periodes hadden ook hun, en wel versere, sporen bij de Grieken nagelaten.

Ook de taal werd gezuiverd. In plaats van de volkstaal kwam een van Turkse en andere insluipsels gezuiverde taal, met vele kunstmatige woorden. Het waren niet zozeer de buitenlanders die de Grieken deze veranderingen oplegden alswel een kleine, westers opgevoede elite. Niettemin liet de eerste koning, de Beier Otto, zich ook omringen door Duitse professoren als raadgevers.

Zo moest er wel, al spoedig na de bevrijding, een misverstand ontstaan tussen het nieuwe Griekenland en de rest van Europa – een misverstand dat tot op de dag van vandaag is blijven bestaan. Daarbij is die rest niet zonder schuld: zij geloofde in een ideaal dat nooit werkelijkheid was geweest. Ook de oude Grieken hadden hun boeven en schavuiten.

Dit proces is in feite niet wezenlijk anders dan het in de negentiende eeuw bij andere Europese landen is geweest. Het was de eeuw waarin de natiestaten zich vormden – elk met een eigen nationalisme, dat zich beriep op een, grotendeels verbeeld, groot verleden. Het verschil met Griekenland was echter dat daar dat grote verleden wel heel ver weg lag. De moeilijkheid om aan het geconstrueerde ideaal te beantwoorden was navenant groter.

Sinds het bezoek van de drie gymnasiasten zijn vele jaren verstreken. Miljoenen hebben sindsdien het toen verre Griekenland bezocht. Is het wederzijds begrip daardoor groter geworden? Het is waar: de meeste toeristen hebben niet de klassieke achtergronden die die gymnasiasten hadden. Hun belangstelling voor het land zal dan ook anders zijn, realistischer. En de Grieken weten zich daaraan aan te passen. Nu hebben ze die toeristen meer dan ooit nodig, maar of de landgenoten van de strenge, Duitse bondskanselier Merkel en onze minister De Jager (Financiën, CDA) zich er erg welkom zullen voelen?

Want ongetwijfeld zullen de Grieken zich in de huidige crisis weer misbegrepen voelen. Had het land dan nooit tot de Europese Unie, laat staan tot de muntunie, toegelaten moeten worden? Politiek-strategische motieven hebben de doorslag gegeven – motieven die in het geval van Turkije, dat nog steeds niet toegelaten is, even goed gelden. Maar Turkije kan als toegangskaart niet het argument gebruiken Europa’s oudste democratie te zijn – een dubieus argument overigens.

Hier beroepen de Grieken zich zelf op hun klassieke verleden, maar over een recenter verleden bewaren zij het stilzwijgen. Het land is immers eerder lid geweest van een muntunie: de Latijnse muntunie, die van 1865 tot 1927 heeft bestaan en waarvan ook Frankrijk, Italië, Zwitserland en België deel uitmaakten. In 1908 werd Griekenland er evenwel uitgegooid, nadat ontdekt was dat het had geknoeid met het goudgehalte van zijn munt.