'Ik moet kunnen aanraken'

In zijn bestseller ‘The Hare with Amber Eyes’ beschrijft Edmund de Waal zijn familiegeschiedenis aan de hand van een verzameling Japanse houtsnijwerkjes. „Het boek heeft verloren gegane familieverbindingen hersteld – ook in Nederland.”

‘A history of touch’, een geschiedenis van aanraken, noemt Britse schrijver Edmund de Waal zijn boek The Hare with Amber Eyes. In de Angelsaksische wereld heeft dit prachtig geschreven relaas over de geschiedenis van een familie vanuit het vertrekpunt van een verzameling netsukes (kleine, gedetailleerd gesneden figuurtjes van Japanse makelij) herdruk na herdruk beleefd en prijs na prijs gewonnen: de Costa-biografieprijs bijvoorbeeld, en onlangs nog de Royal Society of Literature Ondaatje-prijs. Wie het boek cadeau krijgt, koopt het onmiddellijk voor zijn of haar vrienden als ‘móét je lezen’-geschenk.

Dat in Nederland zo weinig mensen van het boek gehoord lijken te hebben, terwijl De Waals verhaal toch ook een Nederlandse connectie ( zijn opa was Nederlander) heeft, moet te maken hebben met de ongeïnspireerde titel. Niet ‘De Haas met de Amberkleurige Ogen’ – 1 van de 264 netsukes in De Waals verzameling – maar Het Knoopjeskabinet. Alsof het om een streekroman gaat. Edmund de Waal is zelf ook ontzet: „Ik vind het verschrikkelijk. Maar ik had er geen enkele zeggenschap over.”

Een studio in Zuid-Londen, aan een steegje tussen een wedkantoor en een Caraïbisch fastfoodrestaurant. Een bordje aan een rasterhek: Studio Edmund de Waal. Dit is een pottenbakkersatelier: een langwerpige, lichte ruimte met draaitafels en ovens. Op de eerste verdieping nog zo’n langwerpige ruimte met twee lange tafels. Aan de een schrijft De Waal. Op de ander heeft De Waal de pottenbakker een collectie wit porseleinen kuipjes opgesteld. Elk kuipje is net een beetje anders: een inkeping, een verruwing, een lijn. Ze zijn bedoeld om aan te raken. Pottenbakken is De Waals expertise, zijn liefde van jongsaf aan, de gave waarop zijn internationale museumreputatie gebouwd is, vér voor zijn schrijverschap.

Er is op deze etage één tussenwand met planken met boeken, aan alle andere muren hangen bijna-witte vitrines met wit porselein. „Die schikkingen achter glas zijn juist niet om aan te raken. Zie het als een moment, gevangen in een vitrine. Die achter matglas? Een moment dat je je net niet meer te binnen kunt brengen. Een herinnering die dreigt te vervagen.”

De emotionele lading van een voorwerp en hoe die te bewaren, is een essentieel thema in De Waals boek. Hij schrijft in de inleiding van The Hare dat hij het familieverhaal van de netsukes wilde opschrijven voor het zou slijten door het te veel na te vertellen, voordat het „te glad” of „te dun” zou worden. Als hij, op zoek naar de lotgevallen van de verzameling netsukes die zo’n 160 jaar in de familie is, in het Parijse marmerpaleis van zijn rijke bankiersvoorvader Ignace von Ephrussi aan de „veel te glanzende muren” probeert te voelen, raakt hij „in paniek door het gebrek aan aanraakbaarheid” ervan. Hij voelt niet hoe het voor Ignace voelde om in dit protserige Empirepaleis te leven.

De Waal: „De manier waarop aanraking werkt, betekent verschillende dingen voor verschillende mensen. Toen ik aan dit boek begon, wist ik: het moet gaan over aanraking. De literatuur daarover is minimaal, maar voor mij is het mijn territoir bij uitstek. Dus waar ik ook was in het verloop van het verhaal, in het onderzoek ernaar, ik moest dingen kunnen aanraken.”

De Waal heeft een paar van de netsukes die hij van zijn oud-oom Iggie Ephrussi heeft geërfd in een schoenendoos met vloeipapier meegenomen naar de studio. Kleine bundeltjes ivoor en buxushout: de haas natuurlijk, een wolf, de man met de rat, tot en met de onderliggende teentjes ineengebalde figuurtjes die rond, warm en glad in de hand liggen. Tot voor kort liep De Waal zelf met een netsuke-mispel in zijn zak rond. „Maar midden op Piccadilly kwam een man op me af, die schalde: ‘En? Vertel eens, wat hebt u vandaag in uw zak?’ Sinds die tijd voelt het aanstellerig om er nog langer mee rond te lopen, dus ik doe het niet meer.”

De tol van de roem. De Waal is absurd dankbaar voor het succes van zijn boek, voor de aandacht die er aan hemzelf besteed wordt, voor dit interview. Dat alles nooit verwacht, maar toch gekregen. En met een onverwacht effect: niet alleen zakken vol post van mensen met „parallelle verhalen” over „verlies van mensen, plaatsen, dingen”, maar ook contact met „de diaspora van de familie” – ook die in Nederland. „Het boek heeft verloren gegane verbindingen hersteld.”

De Waal: „In mijn hoofd was dit verhaal alleen bestemd voor mijn naaste familie en voor mijzelf. Waarom ik het moest schrijven? Om te kunnen praten over wat er met de familie is gebeurd, met mijn vader en met mijn kinderen. Want mijn vader praatte nooit over de familiegeschiedenis. Typisch voor de naoorlogse generatie Joden: nieuw begin, niet meer over praten. Assimileren, zoveel je kunt. Mijn vader, met zijn Joodse moeder, werd dominee in de Anglicaanse Kerk en uiteindelijk Dean of Canterbury Cathedral. Engelser kun je niet worden.”

‘Assimileren tot je onzichtbaar wordt’, noemt hij in The Hare with Amber Eyes de manier waarop oud-oom Viktor Ephrussi, een van de rijkste bankiers in Wenen, in de Eerste én Tweede Wereldoorlog Oostenrijker dan de Oostenrijkers dacht te zijn en in 1914-’18 via oorlogsobligaties meer geld aan de regering leende dan bijna wie ook. Na Wereldoorlog I waren die obligaties waardeloos en zijn vaderlandslievendheid kostte hem de helft van zijn bank. Wereldoorlog II overleefde hij ternauwernood.

De Ephrussi’s in Parijs, de andere tak rijke bankiers en kunstverzamelaars, hadden ook zo hun ervaringen met antisemitisme. Maar in Wenen, met – op New York na – de grootste Joodse bevolking ter wereld, zo schrijft De Waal, was Jodenhaat openlijker en ging het ongestraft. Zo kon je verwachten dat je hoed van je hoofd geslagen werd op de Ringstrasse omdat je er Joods uitzag, je kon uitgescholden worden als vuile Jood omdat je in de trein een raampje openzette, je kon als ‘Wanderjunge’ geweerd worden uit een berghut „omdat het hier opeens stinkt” of een college aan de universiteit kon opeens onderbroken worden door studenten die „Juden hinaus” bleven schreeuwen tot de laatste Joodse student zijn boeken had opgepakt en de collegezaal had verlaten. En dat was nog voor de Anschluss. Ik zeg tegen De Waal dat me nog nooit zo aangrijpend als in zijn boek is duidelijk gemaakt wat die gretige ontvangst van Hitlers Duitsers door Oostenrijk voor haar Joodse bevolking betekende. „Ja”, zegt hij. „Dat was natuurlijk de kern van het boek. Ongelofelijk pijnlijk. En zo moeilijk om de juiste toon te vinden. Om zoiets emotioneels niet emotioneel te beschrijven.” En dus zoekt hij het in The Hare in een vernietigende opsomming van droge feiten, middels wekenlang archiefwerk geput uit de ochtend- en avondedities van de Oostenrijke kranten van die dagen. „Zo vlug veranderde het. Over een maatregel tegen de Joden waarvan ’s ochtends nog geen sprake was, werd ’s middags bericht als iets volstrekts vanzelfsprekends.” En hij kent het familieverhaal over de portier in dienst van de familie, die elke ochtend en avond zo hoffelijk en Weens de poorten van dat enorme huis aan de Ringstrasse voor de leden van het gezin-Ephrussi opende, diezelfde poort maar alvast wijdopen had gezet voor de nazi’s die alle bezittingen kort en klein kwamen slaan. Of kwamen registreren.

Edmund de Waal dankt zijn Nederlandse achternaam aan Henk de Waal, streng Nederlands hervormd opgevoed, op wie Edmunds geëmancipeerde Joodse grootmoeder, Elisabeth Ephrussi, nog voor de oorlog verliefd werd en met wie ze trouwde in de Anglicaanse Kerk in Parijs. Van haar, en van haar broer Iggie, die na de oorlog de collectie door de Duitsers onontdekte collectie netsukes uit Wenen meenam en ‘thuisbracht’ naar Tokio, kende Edmund de familieverhalen, verbonden aan de netsuke-collectie.

We praten over de treurigheid van oude fotoalbums op jumble sales – groepen mensen die voor niemand meer iets betekenen dan alleen een sepia plaatje.

„De pijn zit hem in de gewelddadige losmaking van die mensen uit hun geschiedenis”, zegt De Waal. „Er zijn zoveel huizen, foto’s, voorwerpen waaraan je een geschiedenis van verlating kunt ophangen. Maar tegelijkertijd zijn ze ook een beginpunt voor ontrafeling van die geschiedenis. Die ontrafeling is zo belangrijk. Zonder die weerklank in een geschiedenis zijn we nergens geworteld. In deze dunne wereld, zonder fundament, móéten we onszelf zien te plaatsen en daarom moeten we die fragmenten gebruiken en doorgeven aan de generaties na ons. Anders leven we in een luchtledigheid van reclame en lawaai en consumptie en het nieuws van de dag, zo ijl dat je niets aanraakbaars hebt om je aan vast te houden.”

‘Signs and Wonders’ is de naam van de installatie die De Waal op uitnodiging van het Victoria & Albert Museum gemaakt heeft om de hernieuwde keramiekafdeling luister bij te zetten. Wie het museum binnenkomt moet omhoog kijken, in de koepel, waar op een rode metalen cirkel – „een veeg rode lak” – 425 porseleinen vaten, vazen, kommen en schotels zijn gerangschikt en gestapeld. Buiten bereik zodat „je dat gevoel krijgt van mogelijkheden en latente ontdekking, zoiets als je voelt wanneer je de kans krijgt de opslagruimten van een museum te bezoeken”.

Vijf jaar duurde het researchen en schrijven van De Haas. De Waal „kwam er bijna in om”. Het is nog te vroeg, zegt hij, om te zien of de populariteit van zijn boek ook zijn invloed zal hebben op opdrachten voor zijn potten. Eén boek zit nog in zijn hoofd. „Over obsessie. En over de kleur wit.”

Edmund de Waal: ‘Het knoopjeskabinet’, een familiegeschiedenis en een kunstverzameling in oorlogstijd. uitg. Mistral. € 19,95. Inl. edmunddewaal.com