Herverkaveling voor een sterker Polen

Toen Polen in 2004 bij de Europese Unie kwam, streken er veel buitenlandse boeren neer. Zij lopen nu, door her- vorming van de Poolse land- bouwpolitiek, het risico hun grond deels kwijt te raken.

‘Ik huil elke dag.” De jonge moeder Anna Pakos zegt het met een lach. Acht uur per dag, vijf dagen per week, schilt ze uien op deze voormalige Duitse boerderij in het Poolse plattelandsdorpje Zabice. In de schuur waar ze werkt, staat het vol met kistjes uien. Na vijf minuten biggelen de tranen over je wangen. „Maar dat duurt maar even”, stelt Anna gerust. „Daarna heb je de rest van de dag nergens meer last van.”

In een ander vertrek wachten nog een paar dozijn manshoge zakken met uien op haar. Maar Anna zit er niet mee. Ze is gelukkig, zegt ze. „Per kistje krijg ik twee euro. Ik schil vijftien kistjes per dag.” Zo verdient ze een stuk meer dan het Poolse minimumloon, zo’n 350 euro per maand.

Anna werkt, samen met nog zo’n veertig andere, voornamelijk vrouwelijke schillers, voor de Nederlandse boer Derreck Bac. De 28-jarige Gouwenaar – witte polo, stekeltjeshaar – is een van de honderden Nederlandse boeren die de afgelopen jaren in Polen zijn neergestreken en er, mede dankzij mensen zoals Anna, bloeiende bedrijven opbouwden. Ook zijn neef Arnold Bac (30) – bruine polo, kaal –, die hier al sinds de jaren negentig zit, doet goede zaken. Maar zo goed als vroeger, is het niet helemaal meer.

Het Poolse staatsagentschap voor Landbouwgrond voert een ontmoedigingsbeleid dat speciaal voor buitenlandse boeren slecht uitpakt. Het agentschap is eigenaar van de meeste grond en verpacht die. Buitenlanders mogen zelf geen grond kopen (hoewel die regel gemakkelijk is te omzeilen, bijvoorbeeld door met een Poolse te trouwen). Maar als de pachtcontracten aflopen, worden die tegenwoordig niet meer verlengd met vijftien jaar, zoals vroeger, maar met een of twee jaar.

Bovendien grijpt het agentschap de gelegenheid om een deel van de verpachte grond terug te nemen, om die vervolgens te verdelen onder kleine Poolse boeren, zodat die de concurrentie beter aan kunnen gaan.

„Heel lastig”, zegt Arnold. „Daar gaat je rendement. Maar ik begrijp het ook wel. Hier in het dorp heb je grote agrarische concerns die alles kopen wat los en vast zit. De Polen krijgen geen kans.”

Hij legt uit dat het agentschap te allen tijde het recht heeft om 20 procent van de verpachte grond op te eisen. In alle contracten zit zo’n clausule, al sinds de jaren negentig. Maar sinds een jaar maakt het agentschap daar ook echt gebruik van. „Er is veel herrie over”, vertelt Bac. „Maar ja, het staat in het contract.”

De achtergrond van die herverkaveling is politiek. Het Poolse parlement behandelt op dit moment een wetsvoorstel dat bedoeld is om een limiet te stellen aan de grootte van boerenbedrijven. Het land van boeren die daar over heen gaan, zou moeten worden afgenomen en vervolgens beschikbaar moeten komen voor kleine boeren.

Zo moeten er uiteindelijk meer boerenbedrijven van middelbare grootte (voor Poolse begrippen) ontstaan, van 10 tot 50 hectare. De wet is nog (lang) niet door het parlement, maar het agentschap handelt al wel naar de geest ervan.

In essentie is die wet bedoeld om de landbouwsector te saneren. Polen telt zo’n 2,4 miljoen boeren. De meesten beschikken over niet meer dan 1 of 2 hectare. Sommigen zijn niet eens boer, maar gewoon grondbezitter, al worden ze volgens de wet aangemerkt als boer (en dus krijgen ze subsidie), omdat ze nou eenmaal meer dan een hectare land bezitten.

Het systeem is uiterst inefficiënt. Volgens deskundigen is slechts 400.000 van alle boerenbedrijven levensvatbaar. Maar de sector is ook van belang voor de economie: ze is goed voor zo’n 4 procent van het bruto binnenlandse product en 20 procent van de werkgelegenheid. En dus moet er worden hervormd – een operatie waarvoor Polen omvangrijke Europese subsidie krijgt.

Zelf is Arnold hierdoor 200 van zijn oorspronkelijke 1.600 hectare kwijtgeraakt. Maar daar zit hij niet mee. Hij was het agentschap voor door uit zichzelf een deel van zijn grond aan te bieden – zijn slechtste stuk grond. Andere buitenlandse boeren, die alleen hogere kwaliteit grond hebben, ondervinden veel meer last van de praktijk.

Arnold en Derreck, beiden uit een oud boerengeslacht, zijn overlevers. Van de honderden Nederlandse boeren die hier de afgelopen twintig jaar naar toe trokken, zijn de meesten alweer verdwenen. Om de simpele reden dat de grond hier weliswaar bijna niets kost, maar intensieve landbouw zoals in Nederland hier onbetaalbaar is. In Nederland hebben boeren vaak maar een paar hectare grond. Hier hebben boeren soms wel 30.000, 40.000 hectare grond. Daarom moeten er veel en veel meer kunstmest en pesticiden worden gebruikt, wat een hoop geld kost.

Arnold begon er onlangs een handel bij, in tweedehands landbouwmachines. En Derrecks firma Spring Fresh is een toonbeeld van bedrijfsvoering in tijden van globalisering. „’s Ochtends komen hier de truckers met Marokkaanse spruitjes die zijn ingevoerd via Rotterdam”, zegt hij. „Ze worden met de hand schoongemaakt en gaan ’s avonds terug naar Rotterdam. Uiteindelijk komen ze in Britse supermarkten terecht.”

De lastigheid voor de buitenlandse boeren is dat het agentschap meewaait met de politieke wind. Het huidige voorstel wordt gesteund door de kleine coalitiepartner PLS, de Boerenpartij. De regeringspartij van premier Donald Tusk, Burgerplatform, steunt de grote boeren.

De vraag is hoe afhankelijk Burgerplatform van de Boerenpartij wordt, straks, na de verkiezingen in oktober. Tot die tijd doet het agentschap gewoon wat het nu doet en zijn het onzekere tijden voor de boeren. „We weten niet wat de Poolse overheid wil”, aldus Arnold Bac. „We tasten in het duister.”

Het agentschap zelf is niet bereikbaar voor commentaar. Vast staat dat het niet om puur, rauw nationalisme gaat. Ook grote Poolse boeren die grond pachten van de staat – en dat zijn er genoeg – hebben te maken met het agentschap.

Een van hen is Karol Kwiek, een oude boer met een verweerd gezicht en nog maar twee tanden in zijn mond. Op zijn boerderij, een paar kilometer verwijderd van die van de Bacs, slingeren de landbouwmachines her en der rond. Hij heeft maar weinig goeds te zeggen over het agentschap.

„Ik wilde er een melkveehouderij bij beginnen”, moppert Kwiek, terwijl hij tegen zijn zilvergrijze, stoffige Audi leunt. „Daarin had ik veel geïnvesteerd. Maar toen kwamen die ambtenaren ineens mijn grond opeisen. Uiteindelijk heb ik de grond maar snel opgekocht, want anders was mijn investering naar de maan gegaan.” Met een bedrukt gezicht steekt hij nog maar een sigaret op. Boer Kwiek heeft nu zo’n 600 hectare grond, grotendeels in eigen bezit.

Arnold en Derreck Bac laten zich niet uit het veld slaan door het agentschap. De neven blijven onverminderd positief over de toekomst. Voor hen is Polen nog altijd het land van de gouden bergen. „Als je maar weet wat je doet. Niet te snel, niet te veel. Gewoon natuurlijk groeien”, zegt Derreck, terwijl hij tevreden over zijn boerderij wandelt.

De jonge Anna Pakos sluit zich daarbij aan. Snel schilt ze nog wat uien. Met nog een kistje erbij heeft ze weer twee euro verdiend.