Gibson graaft diep als depressief poppenspeler

The Beaver.

Regie: Jodie Foster. Met: Mel Gibson, Jodie Foster, Anton Yelchin. In: 21 bioscopen. ****

Jodie Foster bewoog hemel en aarde om de rechten in handen te krijgen van het script van The Beaver, dat al een tijd de ronde deed in Hollywood. Het is niet moeilijk te begrijpen waarom ze zo aansloeg bij het lezen van het scenario van debutant Kyle Kellen. De film laat zich lezen als een lang uitgesponnen metafoor voor haar beroep, acteren. En Foster is misschien nog meer verweven met haar vak dan veel van haar collega’s, omdat ze al zo lang voor de camera staat.

Dat betekent niet dat The Beaver alleen voor acteurs interessant zou zijn, integendeel, want acteren doet iedereen in het dagelijks leven voortdurend en met overgave: acteren als uitlaatklep en als masker, als manier om het leven de baas te worden, en om ervoor op de vlucht te slaan.

Geen wonder dus dat deze film, haar derde als regisseur, voor Foster een heel persoonlijke onderneming was. The Beaver neemt de wezenlijke ambivalentie van acteren haarscherp onder de loep.

Mel Gibson speelt (heel goed) Walter Black, een man die lijdt aan een zware depressie. Hij is de zelfmoord nabij als zijn vrouw Meredith (Foster zelf) hem het huis uitzet. Zijn kansen keren wanneer hij een vale, oude handpop (een bever) in een vuilnisbak vindt en door de pop zijn vermogen hervindt om met zijn gezin en de buitenwereld te communiceren.

Jammer van het merkwaardige, platte accent dat Gibson zich aanmeet als hij via de pop begint te spreken. Want verder is dit een buitengewone, indrukwekkende rol. Gibson – in opspraak door zijn ongecontroleerde woede-uitbarstingen – zou vaker dit soort films moeten aannemen. In de depressieve scènes lijkt hij werkelijk de dood in de ogen te zien en ook de megalomane, manische kant van Black is verontrustend levensecht.

Het enigszins gezochte gegeven van de handpop had een gezellige film kunnen opleveren, over een personage dat, heel vertederend, ‘lekker gek’ is, eindigend in de tolerante, maar o zo vrijblijvende moraal dat ook excentriekelingen een plaats onder de zon verdienen. Zo’n film is The Beaver gelukkig niet. Het gedoe met de pop van Walter roept, na de aanvankelijke opluchting dat hij uit zijn schulp komt, juist diep onbehagen op bij zijn vrouw en afgrijzen bij zijn puberzoon, die zich uiteraard schaamt voor pa. Walter is niet ineens een volledig ander of beter mens door zijn handpop, die gaandeweg de film de trekken krijgt van een klein monster.

Lang niet alles is gelukt in The Beaver. Ondergeschikte verhaallijnen over Walters werk als speelgoedfabrikant en over zijn puberzoon komen niet uit de verf. Fosters regie is hoogstens adequaat, niet geweldig. Maar de volwassen, gedurfde wendingen die de film neemt wegen tegen die mankementen op. Gibson graaft diep in een rol die de nodige echo’s heeft van zijn eigen publieke afbladdering. Dat vergt moed. Als zijn bedoeling was de wereld eraan te herinneren dat hij echt wel wat kan, is die missie ruimschoots geslaagd.

Peter de Bruijn