Eigenlijk komt iedereen in Moskou terecht

Hard, romantisch, exotisch. Elke wereldstad heeft zijn eigen imago. NRC Handelsblad gaat deze zomer op zoek naar de werkelijkheid achter het cliché van de wereldstad. Elke week een andere, op deze pagina’s en op zaterdag in de bijlage Lux. Deze week: Moskou

06.30 uur Taalajbek Moesabajev zit op zijn bed in de kleine kamer die hij met drie andere Kirgizische gastarbeiders huurt in een vervallen flatgebouw. De zon probeert door de lappen heen te breken waarmee de ramen zijn bedekt. Over een paar uur is het hier niet meer te harden. Want de Moskouse zomers zijn verstikkend heet en éénkamerflats als die van Taalajbek en zijn kameraden laag en benauwd.

Behalve vier bedjes, koffers eronder geschoven, staat in de kamer een televisie. Een oude laptop siert het eettafeltje in het armoedige keukentje. „Het internet doet het niet”, zegt Taalajbek. „Dus we kunnen niet naar huis mailen.”

De 20-jarige Taalajbek is een dvornik, een gemeentelijke straatveger. Hij werkt in het deftige deel van de Taganka-wijk, waar veel voormalige adelspaleisjes staan en statige flatgebouwen uit de Stalintijd. Twee jaar geleden kwam hij uit een dorp in de buurt van de Kirgizische hoofdstad Bisjkek naar Moskou. „In Kirgizië is nu eenmaal geen werk”, zegt hij. „Daarom is een groot deel van mijn familie naar Rusland getrokken om geld te verdienen. Eigenlijk komt iedereen in Moskou terecht. Kijk maar om je heen. In iedere straat en overal waar gebouwd wordt, zie je gastarbeiders uit Centraal-Azië.”

07.00 Taalajbek trekt zijn schoenen aan en loopt de straat op. Bij een deftig flatgebouw, zo’n vijftig meter verderop, waar in de tijd van de Sovjet-Unie generaals van het Rode Leger woonden, houdt hij stil. Dan steekt hij een loper in het slot van een metalen deur, die naar een kelder leidt. „Ik ga ontbijten bij een kennis van mijn moeder”, zegt hij als hij naar binnen gaat. „Dat doe ik iedere ochtend.”

Hij loopt een betonnen trap af, waar hier en daar een tree is weggerot. „Mijn moeder woonde hier tot afgelopen mei ook”, zegt hij. „Maar toen mijn broer in Kirgizië ziek werd, is ze teruggegaan om hem te verzorgen.”

In de kelder, die door een enkele carbidlamp wordt verlicht, zit een groepje Kirgizische vrouwen rond een oliestel. Er pruttelt wat vlees en er staat water op voor de thee. De vrouwen, ook dvorniki, wonen hier met zijn zessen, op tien meter diep onder de grond. Van een van hen is de man sinds een paar dagen terug naar zijn geboorteland. „Hij rust daar uit van het zware werk”, zegt ze. „Wanneer hij terugkomt, weet ik niet.”

Omdat het zomer is, hebben de vrouwen minder zwaar werk te doen. Ze doen niet veel anders dan de hele dag met een prullenbak op wieltjes de binnenplaats van het flatgebouw schoonvegen en de plantjes in de betonnen bakken water geven.

Taalajbek en de andere mannen hebben het zwaarder. „Ik moet een trapportaal stukadoren”, zegt hij. „Maar eerst halen we de oude kalk van de muren. Dan gaan we de boel opnieuw plamuren en schuren. En als laatste wordt alles opnieuw geschilderd. In de lente verven we altijd de trottoirbanden, de hekken en de bankjes in de plantsoenen. Maar nu is het rustig en doen we de grotere dingen.”

08.30 Als hij klaar is met zijn ontbijt, snelt Taalajbek naar het basketbalveldje voor het flatgebouw waar hij woont. Daar zit de opzichter, een wat oudere Rus, op een bankje te brommen. Naast hem hurken vijftien Kirgizische en Tadzjiekse mannen, allen dvorniki. De opzichter deelt als een sergeant het werk uit. „Jij gaat de vuilcontainer leegmaken. Jij gaat stukadoren. En jij straatvegen.”

09.00 Als de dienstbevelen zijn uitgevaardigd, gaan de mannen uiteen. Sommigen brengen afval naar de containers. Maar de meesten lopen met gereedschap naar de diverse woongebouwen die ze onder hun hoede hebben.

Taalajbek gaat eerst naar de parkeerplaats, waar de overvolle vuilcontainers staan te stinken. Hij haalt er een paar kartonnen dozen uit en scheurt ze in stukken. „Die kan ik bij het stukadoren gebruiken”, zegt hij. Met de stroken karton slentert hij naar het portiek, legt ze op de grond en pakt zijn spatels en stuc. Daarna gaat hij aan de slag. „In het portiek is het lekker koel”, zegt hij, naar buiten wijzend. Daar is de temperatuur al opgelopen naar de 28 graden, zonder een zuchtje wind.

12.00 Na drie uur stevig doorwerken is het lunchpauze, wat in Rusland betekent dat het tijd is voor warm eten. Terwijl zijn kamergenoten naar hun appartement gaan, snelt Taalajbek terug naar zijn vertrouwde kelder. De vrouwen zijn er inmiddels ook. De pot schaft pelmeni, de Russische variatie op ravioli. „Ik heb helemaal niet zo’n honger”, bekent Taalajbek verlegen.

In de winter, als hij vanaf vijf uur ’s ochtends sneeuw moet ruimen omdat anders de auto’s niet van de binnenplaatsen kunnen rijden en de straat te glad wordt, heeft hij een steviger maaltijd nodig. Er zijn in dat jaargetijde dan officieel zo’n achtduizend dvorniki in dienst van de gemeente Moskou. „Maar dat is natuurlijk onzin”, zegt hij. „Want in werkelijkheid zijn het er veel en veel meer. Allemaal illegaal natuurlijk.”

13.30 Na de lunch en het theedrinken gaat Taalajbek terug naar zijn werkplek, die hij pas om zes uur verlaat. Buiten is de temperatuur tot boven de 32 graden gestegen.

18.00 Toch wel een beetje moe keert hij na afloop van het werk terug naar zijn kamer. Hij frist zich wat op en gaat even op bed liggen.

Wat hij in zijn vrije tijd doet? „Spelletjes spelen op de computer en televisie kijken. En een enkele keer de stad in. Maar dat is vervelend, want een Kirgiziër wordt altijd door de politie aangehouden en dan moet hij zich legitimeren. Alleen als je een officieel oranje plastic werkvest aanhebt, laten ze je ongemoeid. En dat heb ik niet.”

20.00 Als hij weer wat is opgeknapt, maakt hij een ommetje. Eigenlijk komt hij de wijk waar hij werkt nooit uit. „Het liefst zit ik op een bankje en denk aan Kirgizië, aan mijn moeder en mijn broer.” Maar thuis is nu eenmaal niets te doen waarmee hij geld kan verdienen. „En hier krijg ik 19.000 roebel (470 euro) per maand. In de winter kan het zelfs oplopen tot 25.000, maar dan moet ik ook de sneeuw van de daken ruimen. En ik ben nergens voor verzekerd, dus als ik naar beneden val, ben ik de pineut.”

Dat is ook precies de verklaring waarom in Moskou zoveel dvorniki gastarbeiders zijn. Want voor een Russisch staatsburger moet de overheid sociale premies en een ziektekostenverzekering betalen. En dan ben je veel meer kwijt dan 470 euro. Buitenlanders zoals Taalajbek, die geld nodig hebben en afzien van allerlei sociale extra’s zijn daarom zeer gewild. En Talaajbek boft, want in de buitenwijken krijgt een dvornik veel minder en is 8.000 roebel een gewoon salaris voor dat werk.

22.00 Maar voorwaarde is dat hij fris is. En daarom gaat hij om tien uur naar bed. „Morgen moet ik weer vroeg op”, zegt hij. „En dan heb ik weer bijna een vrije dag.”