'Dit is zooo raar. Whatthefuck...'

Buiten hun weten hing Willem Popelier webcam-foto’s van onbekende meisjes in een museum. Ze ontdekten het, maar zien geen probleem. De moeder wel.

„Dit is zo raar, ik sta dus in Foam en mensen kijken serieus naar ons..” „Dit is zooooo raar.” „Whatthefuck ...”

Deze tweets zijn afkomstig van een van de twee meisjes die sinds een paar weken te zien zijn op de expositie Showroom Girls in het Foam fotografiemuseum in Amsterdam.

Voor deze tentoonstelling hing fotograaf Willem Popelier ruim negentig foto’s op van twee meisjes die zichzelf met een showroom-webcam in een warenhuis hadden gefotografeerd. Popelier besloot beide meisjes niet over het project te vertellen maar wel de foto’s te anonimiseren.

Kort nadat vorige week over Showroom Girls in deze krant werd geschreven, gingen beide meisjes zelf een kijkje nemen in het museum. Deze krant spoorde de meisjes op via Twitter. Op verzoek van een van de moeders staan ze niet met hun namen in de krant. „Je weet niet waar dit toe leidt”, aldus de moeder. „Op de expositie staan ze op een aantal foto’s toch in uitdagende poses. Hun gegevens zijn dit keer in goede handen terecht gekomen, maar mijn dochter beseft onvoldoende hoe zoiets ook mis kan gaan.”

Wat vinden de meisjes er zelf van dat ze als kunstwerk zijn tentoongesteld zonder dat ze hiervan afwisten? „Ik was in shock”, zegt L. (15) „Ik zat met mijn moeder en oma in een restaurant toen een vriendin sms’te: ‘Er hangen honderd foto’s van jou in Foam.’ Ik vertelde het aan mijn moeder. Die zei: begrijp je nu het gevaar? Zij vindt dat ik te vrij omga met Twitter en Facebook. Maar ik heb mijn Twitter-account beveiligd, alleen mensen die ik toesta kunnen lezen wat ik schrijf. Ik wil ook niet dat mijn tante me volgt. Dat is niet echt chill.”

In het museum, bij hun eigen foto’s, vertelt L. dat ze samen met haar vriendin A. (15) twee jaar geleden in de zomervakantie naar een warenhuis ging om voor een webcam gekke bekken te trekken. „Voor de lol. We gaan ook wel eens in fotohokjes zitten op het station.”

A: „Soms zelfs verkleed, met rare T-shirts en brillen op.”

Toch hadden beiden zich niet gerealiseerd dat ze zo veel beelden op de computer in de winkel hadden achtergelaten. „Ik dacht een paar”, zegt L. „En je denkt natuurlijk niet dat iemand zoiets in een museum gaat hangen.”

Wat vindt ze ervan dat Popelier hun beelden gebruikt voor zijn project? „Wel een goed idee”, zegt A. „Het is mijn eigen keus dat ik wel alles openlijk op Twitter zet. Maar hij had wel Facebook-berichtje kunnen achterlaten. Ik vind dat hij toestemming had moeten vragen. Het zijn toch mijn gegevens waar hij nu wat mee doet.”

L: „Toch is het ook wel grappig hoor.”

A: „Tja. Het is ook wel onze eigen schuld.”

L: „Maar we moeten er wel iets voor terugkrijgen. Hij verdient er nu geld mee.”

A: „Ja, een photo shoot of zo.”

Met Showroom Girls wil Popelier onderzoeken hoe jongeren met hun identiteit en privacy omgaan. Hoe kijken L. en A. daar tegen aan? Is er een verschil tussen het tonen van privégegevens op internet of in een museum? „Ik zie wel een verschil”, zegt A. „In dit museum komen nu mensen om mij te zien. Achter een computer weet ik niet wie mij ziet of wat ze van mij lezen.”

L: „Er zijn zoveel mensen op Twitter, waarom zou je daar nou speciaal één iemand gaan volgen?”

Omdat A. op de webcam-foto’s een kettinkje droeg met daarop haar naam, wist Popelier ‘binnen een kwartier’ via Hyves en Facebook de identiteit van de meisjes te achterhalen. Op de expositie in Foam heeft hij ook een printer in de zaal geplaatst waar alle tweets van A. geanonimiseerd worden uitgeprint. Vindt A. dat niet vervelend? „Nee. Mij kan het niet schelen of iedereen via Twitter kan lezen wat ik schrijf”, zegt ze. „Ik zet iets op het internet. Dan vind ik het logisch dat anderen dat kunnen lezen. Iedereen mag weten wat ik doe. Zo gezellig ben ik. En als mensen mij gaan aanvallen op Twitter, dan roep ik mijn moeder erbij.”

We lopen naar de printer op de tentoonstelling om te kijken of het klopt dat hun tweets worden afgedrukt. „O my god!”, zegt A. „Hier heb ik getweet dat ik ben opgestaan. En hier dat ik ga douchen en hier dat we weer naar Foam gaan....En wacht...” Ze toetst op haar BlackBerry een berichtje in. Twee minuten later ratelt het apparaat. „Hij doet het!” A. kijkt naar de lap papier die al uit de printer is gerold. „Wauw. Heb ik echt al zoveel getweet vandaag?”

Volgens Popelier rollen er van A.’s hand wel eens 400 tweets op een dag uit de printer. Dat ontkent ze. „Nah. Misschien honderd op een dag. Het is heus niet zo dat ik de hele dag zit te twitteren.”

L: „Nee, als ik met vriendinnen ben, dan ben ik niet de hele tijd aan het pingen, dan praten we gewoon met elkaar.”

Toch maakt de moeder van L. zich zorgen over het ping- en twittergedrag van haar dochter. „Ik ben heus geen ouderwetse zeurpiet, maar ik denk wel geregeld: doen die kinderen dan niets anders meer? Als je honderd tweets per dag verstuurt en daarnaast ook nog op Facebook en Hyves zit, dan heb je toch nergens meer tijd voor?”

Een bijkomend probleem vindt ze het concentratiegebrek tijdens het maken van huiswerk. „Soms gaat dat ding elke drie seconden wel af. Ik heb mijn dochter wel eens twee weken lang haar telefoon afgenomen. Omdat ik zag dat ze ’s avonds nog berichten aan het sturen was. Dan ging ze doodmoe naar school. Wat ik fijn vond is dat ze na die twee weken wel toegaf dat ze eigenlijk beter sliep.”

De moeder van L. vindt het eveneens raar dat Popelier geen contact met haar of haar dochter heeft opgenomen. „Ik snap wel waarom hij dit heeft gedaan. Hij maakt een goed punt. Ik ben er alleen minder blij mee dat het nu toevallig net om mijn dochter gaat.”

Dat de meiden nu in het museum hangen, brengt volgens haar heel wat teweeg in hun levens. „Deze twee kijken alleen maar naar de tijdelijke roem die dit met zich meebrengt. Maar ik hoop wel dat andere kinderen en ouders hierdoor worden wakker geschud. Wat je op internet doet of zegt, valt niet meer terug te draaien. Het blijft eindeloos rondwaren. Dat vind ik schrikbarend.”

L. en A. maken zich een stuk minder zorgen. „Ik ben nog steeds niet makkelijk op internet te vinden”, zegt L. „Iedereen mag alles over mij weten”, zegt A. „Als ze maar niet voor mijn huis gaan staan.”