Alleen je benen en je strot voel je nog

De 2.645 meter hoge Alpenreus maakte precies honderd jaar geleden voor het eerst deel uit van de Tour.

Legendes genoeg op de berg. Zoals op 27 juli 1998.

Krakend geluid op Radio Tour: ‘Attaque Escartin! Attaque Boogèrd!’ Dit kan niet waar zijn. Michael Boogerd demarreert op de mistige flanken van de Galibier, de derde berg in de koninginnenrit van de Tour de France van 1998. Auto langs de kant en kijken!

Duizenden wielerfans trotseren kou en ijsregen, in de ijle lucht op bijna 2.500 meter. Daar beneden, wat haarspeldbochten lager, doemen ineens de koplopers op. Vier niet te identificeren silhouetten in de wolken, beschenen door lichten van volgauto’s en motoren. Een minuut later gevolgd door één mannetje, wat gaat die hard! En vlak daarna een groep van zeven met geletruidrager Jan Ullrich én het rood-wit-blauw van de Nederlands kampioen. „Ik heb de engelen gezien”, vertelde Michael Boogerd later aan de finish.

Nooit eerder lag de finish van een bergetappe hoger dan in de achttiende etappe van de Tour de France, die vandaag eindigt op de 2.645 meter hoge top van de Col du Galibier. Een eerbetoon aan de gevreesde Alpenreus, die precies honderd jaar geleden debuteerde in de Tour. Morgen, in de rit naar Alpe d’Huez, moeten de renners nogmaals over de lange en slopende ‘ijzige kolos’.

Legendevorming genoeg. Het verhaal van Eugène Christophe, die in 1922 na materiaalpech de berg beklom op de oude damesfiets van een pastoor. Zwart-witfoto’s van de Italiaanse campionissimi Gino Bartali (1937) en Fausto Coppi (1952), die op de Galibier goochelden met minuten en zo het klassement op z’n kop zetten. Op de top van deze berg at koploper Federico Bahamontes in de Tour van 1954 op z’n gemak een ijsje, voordat hij zich minuten later samen met de eerste achtervolgers in de afdaling stortte. Charly Gaul reed hier een jaar later iedereen op minstens een kwartier.

En de dag van de laatste Tourlegende, op 27 juli 1998.

De romantiek van de ‘Adelaar van Toledo’ (Bahamontes) en de ‘Engel van de bergen’ (Gaul) is lang voorbij, als het peloton zich ’s ochtends in Grenoble opstelt voor de start van de vijftiende rit. Verhalen en zwart-witfoto’s zijn ingehaald door televisiecamera’s, die elke pedaalomwenteling vastleggen. Met minuten wordt niet meer gesmeten, elke seconde telt.

In deze Tour komt daar de dopingjacht nog bij. De Festinaploeg van Richard Virenque en Alex Zülle is al naar huis, nadat in de auto van verzorger Willy Voet grote hoeveelheden epo en groeihormoon zijn gevonden. Ook bij het Nederlandse TVM zijn arrestaties geweest. In de schaduw van het genadeloze optreden van de Franse politie is de koers tot de slotweek weinig opwindend. De Duitser Ullrich lijkt op weg naar zijn tweede opeenvolgende Tourzege. Aan de voet van de Alpen staat hij 1.01 minuut voor op de verrassende Amerikaan Bobby Julich, en 3.01 op de Fransman Laurent Jalabert en de Italiaan Marco Pantani.

„Bij de start was het bloedverziekend heet”, vertelt Boogerd, bezig aan zijn derde Tour en prachtig vijfde in het klassement op 3.29 van Ullrich. „Echt van dat benauwde. Ik trok zelfs mijn zweethemdje uit. Maar we reden nog geen drie kilometer op de Croix de Fer of het begon. Regenen, hagelen, ijswater. Wat had ik het koud! Ik heb het de hele dag nooit meer warm gekregen.”

Op de Croix de Fer en Télégraphe is het direct oorlog en Jalabert moet lossen. En Ullrich heeft honger. „Toen ik boven kwam was mijn hele dagrantsoen al op”, zegt hij in zijn biografie Alles oder gar Nichts. Dan de 16,7 kilometer lange klim van de Galibier. „Acht kilometer onder de top viel Luc Leblanc als eerste aan. Fernando Escartin en Michael Boogerd stoven mee, en weg waren ze. ‘Ik moet erachteraan’, schoot door mijn hoofd.”

Ullrich lost met de tempoversnelling slechts zijn eigen knechten, Bjarne Riis en Udo Bölts. Uit een ooghoek ziet hij achter zich Pantani. „Als een roofdier lag hij op de loer.” Precies als der Jan de achtervolgers terugbrengt bij de aanvallers, gebeurt het.

Om vier minuten voor vier, 4,5 kilometer onder de top van de Galibier, vertrekt Marco’s gezicht en schiet hij er vandoor, beschrijft Matt Rendell in zijn biografie De dood van Marco Pantani over de in 2004 overleden Italiaan.

De in regenjassen gehulde menigte wijkt. Daar is de koploper. Staand op de pedalen, benen als staalkabels, geel Piraatje op het zadel. Wonderklimmer Pantani, on top of his game! Ver voor de groep Ullrich, die het net als Boogerd moeilijk heeft. „Je voelt alleen de pijn. Je benen, je strot. Soms heb je het gevoel dat je dieper wilt ademen maar dat lukt niet”, zegt Boogie. „Het ergste gevoel dat je als renner kunt meemaken.”

Liefst 2.49 minuut bedraagt de voorsprong van Pantani op de top. Een ouderwetse aanval die de Tour op z’n kop zet, zoals ooit Coppi, Bartali of Gaul. Voor il Pirata bovenop geen ijsje bij het monument voor Desgranges. Wel rustig stoppen om een regenjasje aan te trekken. In de stress achter hem vergeet Ullrich dat juist. Na de slotklim naar Les Deux Alpes is het verlies van de Duitser opgelopen naar 8 minuut 57. „Drie minuten voorsprong waren veranderd in zes minuten achterstand”, concludeert hij. Pantani wint de Tour. „Legendarische dag”, zegt Boogerd (zesde op 5.48). „Een van de grootste prestaties in de geschiedenis van de Tour de France”, vindt zesvoudig winnaar van het bergklassement Lucien van Impe.