Wat doet China aan de honger in Afrika?

Wie het wilde weten, kon het weten. In de afgelopen maanden zijn immers genoeg waarschuwingen afgegeven. In de Hoorn van Afrika, dat onherbergzame gebied van rivaliserende, halfnomadische veehouders, is een hongersnood uitgebroken. Opnieuw zien we de beelden die sinds de grote droogte in de Sahel in de jaren tachtig iconisch zijn geworden voor rampzalige honger – kinderen met bolle buikjes en ribben als twijgjes, oude mannen met doffe ogen die niet meer kunnen lopen, vrouwen met bewegingsloze baby’s aan hun lege borsten. Hebben Live Aid en al die andere goede bedoelingen van het Westen dan niets uitgemaakt?

Zo simpel ligt het niet. Honger is het gevolg van natuurlijk en/of van menselijk falen. In de Hoorn is de directe aanleiding de grootste droogte sinds zestig jaar en vooral een effect van klimaatschommelingen door La Niña. Als één of twee regenseizoenen wegvallen, verdroogt het land. Gewassen brengen dan niets op. Als de bevolking geen voorraden heeft, is voedseltekort een feit.

Natuurrampen als droogte, tropische orkanen en overstromingen veroorzaken vaak acute honger, maar voedseltekorten worden pas catastrofaal als de staat structureel in gebreke blijft. Als de overheid niet (meer) functioneert, er geen wegennet (meer) bestaat, politieke facties elkaar op gewelddadige manier bestrijden en mensen van hun land worden verjaagd, raakt het gewone leven totaal ontwricht. Dan worden ook de symptomen van dreigende hongersnood genegeerd. Voeg daarbij de afroming van hulpgoederen en de wijdverspreide corruptie en dan heb je alle ingrediënten voor een grootschalige ramp. Als er dan ook geen vrije pers is, kan het regime daarmee wegkomen.

Ook chronische honger is het product van falende staten. Hoewel er in de laatste dertig jaar veel is verbeterd, blijft heel Afrika systematisch achter bij Azië en Zuid-Amerika, zeker wat betreft voedselproductie en koopkracht. Dat is op zichzelf al het bewijs van zwakke staten, maar economische groei is slechts een noodzakelijke en zeker geen voldoende voorwaarde om honger te verminderen. Zoals Amartya Sen onlangs nog betoogde in The New York Review of Books (12 mei) blijft ook een land als India, ondanks zijn spectaculaire groeicijfers, achter wat betreft het beter verdelen van die groei over alle lagen van de bevolking. Honger is allereerst een kwestie van armoede, niet van gebrek aan productie, en dus van de zorg van de staat voor zijn armste burgers.

Wie het wilde weten, kon weten dat een hongersnood ophanden was. Dat geldt ook voor de Afrikaanse landen. Het is meer dan treurig dat tot nu toe geen enkele Afrikaanse regering heeft gereageerd op het dringende, internationale verzoek om noodhulp. Om het geld hoeft niemand het te laten. Het kost slechts dertig dollar om een individu te redden.

De Afrikaanse passiviteit is een ernstig falen en voorspelt niets goeds voor de toekomst. Was noodhulp tot enkele jaren geleden nog het exclusieve domein van westerse landen, de steun daarvoor erodeert snel. Als de Afrikanen, met hun economische groei, die ver boven die van Europa ligt, niet bereid zijn tot actie, zullen de rijke landen steeds minder als enigen hulp willen bieden. Dat is immers lastig te verkopen aan een electoraat dat het gevoel heeft dat ze er door de economische crisis ernstig op achteruit gaat. Voor Zuid-Europa is dat waarschijnlijk meer dan een gevoel. Ook het draagvlak voor kortstondige humanitaire acties brokkelt af. Noodhulp komt lang niet altijd goed terecht en houdt vaak criminele regimes in het zadel.

De grote vraag is wat China doet. China’s onmiskenbare expansie in Afrika heeft zich beperkt tot technische assistentie, in ruil voor toegang tot grondstoffen. China heeft nu een concrete aanleiding om te tonen dat het om meer gaat dan om eigenbelang. De reactie van China is zo belangrijk omdat China het land is waar de grootste hongersnood in de geschiedenis heeft plaatsgevonden, tussen 1959 en 1962. Deze heeft volgens de laatste schattingen aan 45 miljoen mensen het leven gekost (Dikötter, Mao’s Great Famine) en was volledig het gevolg van het falen van het communistische regime en de nietsontziende uithongering van het platteland.

Wat Mao en de zijnen hebben aangericht, is uiteraard van een heel andere orde dan de hongersnoden in Afrika (ze roeiden systematisch en gewelddadig grote groepen plattelandsbewoners uit), maar er zijn ook overeenkomsten – het voortdurend negeren van signalen, het afvoeren van voedsel van het platteland en het saboteren van de productie.

Honger vraagt om verantwoordelijk en snel handelen. Als China zich werkelijk een leider op het wereldtoneel wil betonen, moet het nu zijn humanitaire gezicht tonen. Een gebaar van China zou niet alleen getuigen van een nieuwe, volwassen relatie tot arme landen, maar het zou ook een begin kunnen vormen van de collectieve verwerking van de grote tragedie van Mao’s hongersnood, waarover tot nu toe in China zelf een bijna volledig stilzwijgen heerst.