Moeilijke keuzes voor redding Griekenland

De eurotop van morgen moet een oplossing zien te vinden voor de Griekse crisis. Voorstellen over een redding buitelen over elkaar heen. De belangrijkste vraag: Wie betaalt de rekening?

Weer naar Brussel. Weer lang vergaderen. Waarschijnlijk weer geen doorbraak. Morgen komen Europese regeringsleiders bijeen voor beraad over de Griekse crisis. Ze zullen spreken over een nieuwe redding van Griekenland, maar zo simpel is het niet meer. De crisis is niet meer op te lossen met een nieuwe zak geld. Om beleggers, politici en het Europese volk gerust te stellen, moet er meer gedaan worden. Maar wat? Waarschijnlijk zal een keuze gemaakt worden uit het onderstaande menu van maatregelen.

Kwijtschelden Griekse staatsschuld:

De Griekse staatsschuld bedraagt ruim 350 miljard euro en de Griekse economie krimpt. Financiële markten vinden het niet geloofwaardig dat het land op eigen kracht uit de schulden kan groeien. Binnen de eurozone kan Griekenland de munt niet devalueren om zo te kunnen concurreren. Het sentiment op de markten is dat een plan van regeringsleiders pas geloofwaardig is als een aanzienlijk deel van de Griekse schuld kwijtgescholden wordt. Na lang verzet lijkt het onderwerp bespreekbaar. De vraag blijft hoeveel politici bereid zijn kwijt te schelden. Als ze te mild zijn (slechts 10 procent kwijtschelden) zullen markt niet tevreden zijn. Zijn ze te rigoureus dan kunnen banken (vooral Griekse, Duitse en Franse) die de schuld bezitten in de problemen komen.

Vrijwillige bijdrage van banken

De allergrootste ruzie in Europa gaat over één vraag: wie betaalt de rekening? Vooral Duitsland en Nederland vinden het onverkoopbaar dat alleen belastingbetalers opdraaien voor een Griekse redding. Banken moeten meedoen. In eurokringen heeft iedereen het over de vraag: wel of geen PSI, ofwel private sector involvement.

De Europese Centrale Bank vindt van niet. Het past volgens ECB-president Trichet niet in de „geaccepteerde internationale economische doctrine”. Trichet vreest de nadelige gevolgen. Als kredietbureaus oordelen dat banken gedwongen worden bij te dragen, dan zullen zij Griekenland (tijdelijk) als failliet beschouwen. Het gevolg van zo’n afwaardering van de kredietwaardigheid is dat de ECB Griekse obligaties niet meer als onderpand mag aannemen. Dat onderpand is nodig voor de leningen die Griekse banken overeind houden.

Er zijn verschillende ideeën geopperd om banken mee te laten betalen. Zo was er het idee om een herenakkoord met banken te sluiten dat ze staatsobligaties niet zouden verkopen en actief zouden investeren in Griekenland. Een ander idee was banken vrijwillig te vragen Griekse staatsobligaties langer te houden, zodat Griekenland niet naar de kapitaalmarkt zou hoeven om schuld opnieuw te financieren.

Het nadeel van totale vrijwilligheid is dat het te vrijblijvend is. Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en Europa, de grote geldschieters, kunnen er niet van uitgaan dat de banken zich aan de afspraken houden, waardoor het bijna onmogelijk is vast te stellen hoeveel de bijdrage feitelijk oplevert.

Banken geven schuld terug

Een andere optie die besproken wordt, is dat banken „vrijwillig” obligaties tegen marktwaarde verkopen aan Griekenland. De marktwaarde nu ligt fors lager dan de prijs die banken betaalden om de obligaties te kopen. Banken nemen dan hun verlies. Griekenland bezit dan weer zijn eigen schuld. Via het pakket noodhulp wordt dit gat gedekt. Eigenlijk wordt de schuld dan overgeheveld van banken naar overheden, maar met een fikse bijdrage van de financiële sector. Het probleem is dat kredietbeoordelaars snel kunnen concluderen dat er sprake is van dwang als banken collectief akkoord gaan met dit plan. Een variant is dat niet Griekenland, maar het steunfonds EFSF de obligaties kopen. Dit vereist instemming van de regeringen van eurozone-landen.

Banken dragen bij via een belasting

De afgelopen dagen is het plan om een bankbelasting te heffen afgestoft. Het plan kent een paar voordelen. De bijdrage is uniform en wordt losgekoppeld van de Griekse schuld. Franse banken, die veel Griekse obligaties bezitten, worden niet harder getroffen dan Nederlandse banken, die nauwelijks Griekse schuld bezitten. Ook voorkomt een belasting speculatief gedrag. Als Griekse obligaties worden afgewaardeerd kunnen beleggers denken dat het een kwestie van tijd is voordat ook Portugees papier in waarde verminderd wordt. Markten kunnen dan banken die veel Portugees papier bezitten gaan wantrouwen. Een ander voordeel is dat kredietbeoordelaars de beoordeling van Griekse obligaties niet hoeven aan te passen. De ECB is dan tevreden, ze kan de Griekse banken blijven steunen, en Nederland en Duitsland zijn tevreden, de banken leveren een aanzienlijke bijdrage.

Een nadeel is dat het plan alleen snel ingevoerd kan worden als landen op nationaal niveau de bankbelasting gaan heffen. Het gevaar bestaat dat de belasting per land iets verschilt. Ook zou het voorstel financiële centra in de eurozone (nog) minder aantrekkelijk maken dan Londen en New York, de grote concurrenten buiten de muntunie.