De laatste voortvluchtige

Zeven jaar was hij op de vlucht, de oud-president van de Servische Kroaten. Zijn voorganger Babic heeft tegenover het tribunaal schuld bekend aan de vervolging van niet-Serviërs.

„Klopt het dat er Nederlandse universiteiten zijn met Engels als voertaal?” vraagt Srecko Hadzic aan journalist Zvezdana Vukojevic. „Ik vermoed dat ik binnenkort veel in Nederland zal zijn.”

Srecko (23) is de zoon van Goran Hadzic, de laatste voortvluchtige verdachte van het Joegoslavië-tribunaal, die vanmorgen is gearresteerd. Journalist Vukojevic sprak met de familie van Hadzic na de arrestatie van de Bosnisch-Servische legerleider Ratko Mladic, twee maanden geleden. „Nu is mijn vader nummer één”, zei Srecko in het vraaggesprek met HP/De Tijd. „Op een bepaalde manier heeft hij gewonnen.”

De Servische Kroaat Goran Hadzic werd op 4 juni 2004 door het Joegoslavië-tribunaal in het geheim aangeklaagd. Het bijbehorende arrestatiebevel was een maand later nog maar zeven uur in handen van de autoriteiten in Belgrado toen Hadzic verdween. Sindsdien was hij spoorloos. Ook zijn familie heeft, zo zegt zijn zoon, sindsdien niets meer van hem gehoord.

Hadzic was president van de Servische ‘republiek’ Krajina in Kroatië. Deze in 1991 eenzijdig geproclameerde republiek besloeg eenderde van Kroatië en zocht aansluiting bij Servië. „De Servische republiek Krajina is geen doel op zich”, zei Hadzic bij de oprichting. „We hebben geen behoefte aan een republiek buiten het moederland Servië”.

Milan Babic was de eerste president. Hij sloeg, anders dan Hadzic, niet op de vlucht maar gaf zich in 2003 vrijwillig over aan het Joegoslavië-tribunaal. Babic bekende dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan vervolging van Kroaten in Krajina. In hoger beroep kreeg hij in 2005 een gevangenisstraf opgelegd van 13 jaar. Een jaar later pleegde hij zelfmoord in het VN-cellenblok van de gevangenis in Scheveningen. De bewijsvoering in de zaak tegen Babic gaat ongetwijfeld een rol spelen in de rechtszaak tegen zijn opvolger Hadzic.

Goran Hadzic werd op 7 september 1958 geboren in Vinkovci, een stadje in het oosten van Kroatië. Voor de oorlog in Kroatië (1991-1995) werkte hij in een warenhuis. In zijn jeugd was hij actief lid van de Joegoslavische Communistenbond en aan het eind van de jaren tachtig maakte hij carrière in de Servische Democratische Partij in Kroatië.

Tijdens de oorlog in Kroatië (1991-1995) kregen de Servische Kroaten onder leiding van Hadzic steun van het Joegoslavische Volksleger en zo’n 4.000 Servische paramilitairen, zoals de Witte Adelaars onder het commando van Vojislav Seselj en het Servisch Vrijwilligerskorps onder het commando van Zeljko Raznatovic, beter bekend als Arkan.

Een dieptepunt in de oorlog was de slag om Vukovar. De stad – in het oosten van Kroatië, vlak bij de geboorteplaats van Hadzic – werd in november 1991 na een belegering van drie maanden ingenomen door Servische milities en het Joegoslavische Volksleger. In het ziekenhuis troffen de Serviërs bijna driehonderd mensen aan – burgers, soldaten, gewonde en niet-gewonde Kroaten. De Kroaten werden naar een varkensboerderij in het nabijgelegen Ovcara gereden, mishandeld en doodgeschoten. Volgens de aanklacht is Hadzic verantwoordelijk voor deze moord op ruim 250 mannen. In verschillende rechtszaken bij het tribunaal is de verantwoordelijkheid van Hadzic al bewezen.