Ceci n'est pas l'euro

Elke woensdag een filosofisch dilemma naar aanleiding van de actualiteit.

Vandaag: waarom De Jagers ‘vrijwillig’ de betekenis ‘verplicht’ krijgt.

Als Robert Gesink, de Nederlandse belofte voor de Tour van 2011, in de achtste etappe opnieuw tijd verliest op de klassementsfavorieten heeft hij aan de finish wat uit te leggen. „Voor mij was het vandaag een baaldag en dan druk ik me nog netjes uit.” Dat maakt al een hoop goed: hij vindt het zelf ook niet leuk. „De geest wil dan wel meer, maar de benen kunnen nu niet leveren wat ik wil.” Nog beter, hij doet het niet expres, het zijn z’n benen. En dan: „Ik moet er over nadenken.” Dát zijn de woorden waar een journalist op zit te wachten. Het kan van alles betekenen, maar voor hem is het het begin van een nieuwsfeit. „Denk je serieus aan: misschien moet ik wel stoppen, misschien moet ik wel opgeven?” De renner relativeert: „Ik kom net van de fiets, eerst maar eens de bus in en dan zien we wel verder.” Maar de NOS weet genoeg en kopt: ‘Gesink twijfelt over vervolg Tour.’

Meer dan sport is topsport een spel, een woordenspel. Daarom ook kan het gebeuren dat al de volgende dag de NOS spreekt van ‘de wederopstanding van Robert Gesink’. Hoe mager de feiten ook zijn waarop deze verrijzenis wordt gebaseerd: hij heeft in de volgende etappe niet nóg meer tijd verloren en bemachtigt per ongeluk zelfs de witte trui van het jongerenklassement – de nummer een en twee raakten door een massale valpartij op achterstand.

Het geldt natuurlijk niet alleen voor topsport: meer dan uit harde feiten bestaat de wereld uit woorden. En dat daar meer van kan afhangen dan een hoge klassering in een wielerronde blijkt wel uit het serieuze woordenspel dat op dit moment de euro moet redden. Het op het verkeerde moment uitspreken van het verkeerde woord kan onherstelbare schade aanrichten. Default, junk, schuldenlast, statusverlaging, koersdaling, rentestijging, schuldplafond, belastinggeld, staatsschuld en begrotingstekort. Het zijn deze en andere woorden die harde munten kunnen kraken. En sommige woorden mogen helemaal niet uitgesproken worden. Jeroen Wester schrijft op 8 juli in NRC bijvoorbeeld over het taboe op ‘kwijtschelden’ van schulden aan landen als Griekenland. ‘Wel mag gesproken worden van „herprofilering” of het „doorrollen” van leningen en andere eufemismen.’ Door het woord kwijtschelden bestaat namelijk het gevaar dat kredietbeoordelaars menen dat Griekenland niet in staat is zelf haar schulden te betalen, dan ben je met andere woorden failliet – een woord met keiharde gevolgen.

In dit delicate woordenspel verruilde onze minister van Financiën Jan Kees de Jager (CDA) vorige week het bijvoeglijk naamwoord ‘vrijwillig’ voor het bijvoeglijke ‘verplicht’. Hij duidde ermee op de deelname van banken ter voorkoming van een faillissement van Griekenland. Maar met deze woordkeuze ligt een faillissement juist op de loer, het impliceert namelijk dat Griekenland onder curatele staat. En waar een curator is, is een faillissement. En dus volgde veel verontwaardiging. Bij zijn Europese collega’s en bij onze eigen parlementariërs. Tweede Kamerlid Ronald Plasterk (PvdA) pleit voor meer terughoudendheid. ‘De minister moet eerst binnen Europa tot overeenstemming komen en verder zijn snavel houden.’ Maar ja, zodra woorden zijn gevallen, kunnen ze alleen met andere woorden worden teruggedraaid. En dus probeerde De Jager de formule: „Het kan nog steeds wel dat banken zelf besluiten mee te werken. Dat is de definitie van vrijwilligheid, zoals wij die in de verklaring van de eurogroep hebben bedoeld.” Maar of De Jager met deze definitie een worst case weet te voorkomen, is sterk de vraag. Het is dezelfde ‘vrijwilligheid’ waarmee ik mijn mopperende dochter van vijf ’s ochtends de gelegenheid gun zelf onder de douche te stappen. Ze mag er vrijwillig onder gaan, maar als ze dat niet doet dan zet ik haar er onder. Kortom, zijn woorden maken het alleen maar erger. Vanaf nu betekent vrijwillig in deze context hoe dan ook verplicht. De Europese ministers zijn terug bij af. Ze moeten op zoek naar nieuwe woorden om de kredietbeoordelaars tevreden te stellen.

Hetzelfde op een andere manier zeggen, dat wordt de politiek nogal eens verweten. Het is zelfs een van de betekenissen van het woord ‘politiek’ geworden. Politici praten veel. Ze zeggen bijvoorbeeld dat een kleiner parlement ‘daadkrachtiger’ kan optreden. Critici gebruiken andere woorden en noemen het ‘een ordinaire bezuiniging’. Maar wie misleidt nu wie? In het eerder genoemde artikel van Jeroen Wester heeft de journalist het ook over eufemismen, bij woorden als ‘herprofilering’ of ‘doorrollen’. En wie eufemisme zegt, bedoelt dat iemand iets vriendelijker voorstelt dan het in het echt is. Maar wat is hier echt en wat is niet echt? Of neem Marcel Oosten, de presentator van het radio 1 Journaal die vorige week vrijdag in een interview met een econoom vroeg of ‘op het ogenblik de politiek de economie niet in de weg’ zit? Economisch zijn de problemen met de euro op te lossen, maar die politici, ‘ze praten er alleen te lang over’.

‘Het gepraat is niet onschuldig’, schrijft filosoof Luuk van Middelaar over het werk van politici, in De passage naar Europa (2009). Met instemming citeert hij Michel Foucault: ‘Het vertoog is niet simpelweg een weerslag van machtsconflicten en machtssystemen, het is datgene waarvoor men, datgene waarmee men strijdt, de macht die men zich eigen wil maken.’ En Van Middelaar laat als een hedendaagse Foucault zien hoe de geschiedenis van Europa in de eerste plaats een woordenstrijd is met echte gevolgen. De Europese politiek ligt niet in het feitelijke Brussel, maar in de woorden waarin de Europese belangen worden uitgevochten. En als we hier iets van willen begrijpen pleit hij voor ‘zo goed mogelijk lezen’ en ‘de elkaar bestrijdende politieke woorden en vertogen in kaart brengen, kijken naar gebruik en context, zwakte en kracht.’ Alleen zo, schrijft Van Middelaar, wapenen we ons ‘tegen de naïeve gedachte dat politieke woorden verwijzen naar een los van hen staande werkelijkheid.’

Foucault was een uitmuntend lezer. Zo las hij in 1973 één zinnetje van de in Brussel opererende schilder René Magritte: ‘Ceci n’est pas une pipe.’ Het stond geschreven onder een realistisch geschilderde pijp. Het lijkt een flauwe grap, een pijp schilderen en eronder schrijven dat het geen pijp is, maar als je er even bij stil staat, stapelt de ene vraag zich op de ander. Wat bedoelt Magritte? Dat de pijp die we zien geen echte pijp is? Misschien? Het klopt immers dat het een afbeelding van een pijp is, geen echte pijp. Maar als de afbeelding van de pijp geen echte pijp is, maar verwijst naar een echte pijp, hoe weten we dan zo zeker dat de woorden alleen naar die afgebeelde pijp verwijzen? En niet bijvoorbeeld naar het hele schilderij, of naar alleen de zin ‘Dit is geen pijp’ of zelfs alleen naar ‘Dit’? Hoe weten we dat woorden op dingen slaan? Dat is het grote probleem dat deze Magritte volgens Foucault toont. Er bestaat een onoverbrugbare ruimte tussen de woorden en de dingen. Om toch dichter bij elkaar te komen zijn we gedwongen ‘dezelfde’ dingen steeds anders te zeggen.

Het spant er dezer dagen om welke woorden in Brussel zullen vallen. Misschien wel: ‘Dit is geen munt.’