Alles is de schuld van internet

Schrijver Marcel van Roosmalen bezoekt deze week de braderie in Vinkeveen en de Albert Cuypmarkt.

„Het maakt niet uit wat je verkoopt, maar hoe.”

Fotograaf Jan-Dirk en ik bezochten de braderie in Vinkeveen, in alles een slechte keuze. Omdat het zomer was hadden we op verzoek de focus naar ‘buiten’ verlegd, want ook daar werd gewerkt. De ‘handel’ leek me wel wat, in economisch moeilijke tijden neemt het aantal scharrelaars toe, een bewezen feit.

Zelf behoorde ik korte tijd tot dit leger ongelukkigen, ik zat met een vriend in de pannenkoeken, een product waarmee we geen risico liepen. Andere koek dan de ‘collega’s’, die ik op diverse braderieën en jaarmarkten ontmoette. Het woord ‘collega’ staat bewust tussen aanhalingstekens want iedereen was volledig gefocust op zichzelf. En op geld, want daaraan was een groot gebrek.

Willem de Vries uit Amersfoort was al in de zeventig en hing gewoonlijk in een knalroze outfit onderuit gezakt in een klapstoel, een sigaar in de mond. Om de nek een gouden ketting waarop met briljantjes zijn naam stond.

Hij zat al vijftig jaar in de autopoets en had veel verdiend met Plastico Car Cosmetics, dat je in de lengte moest uitwrijven en niet in de breedte. „Want je rijdt niet overdwars.”

Naast zijn kraam stond, dwars over de stoep, zijn grijze Jaguar geparkeerd. Die smeerde hij onder met teer om het er daarna met Plastico weer probleemloos af te halen.

Als zich een belangstellende meldde die vroeg of je met Plastico ook koper kon poetsen maakte hij een van zijn standaardgrappen. „Alles kan”, zei hij dan, „maar je moet er niet je tanden mee gaan poetsen.”

Daarna: „Moedertje doe je tas open.”

„Waarom?”

„Nou, dan stop ik het er in.”

Volgens Willem lag de economie ‘in de kist’.

Alles was de schuld van internet.

„Je hebt tegenwoordig honderdduizend verschillende soorten poetsen. Je wordt er gek van. Vroeger liet ik hele vrachtwagens met shampoo rijden vanuit het oosten, die had ik dezelfde dag nog verkocht. Als ik nu een nieuw gezicht op de markt zie, stap ik erop af en zeg: ik zou het niet doen. Je ziet ze vaak lijden met hun product. En plotseling zijn ze verdwenen. Iedereen heb z’n eigen leed.”

Op de Albert Cuyp in Amsterdam ontmoette ik de vriendinnen Lydia de Ruit – „Ik mag mezelf de beste vrouwelijke marktvrouw van Nederland noemen” – en Jannie van Loon. Alle twee met een handdoek op schoot, klaar om hun ontharingsapparaat Sundepil te demonstreren.

Jannie riep naar voorbijgangers.

„Nooit meer harsen, niet meer scheren of epileren... Nooit meer de gestoffeerde bovenlip.”

Er was niemand in geïnteresseerd.

Lydia was blij dat ze hun andere product – ‘de enige echte vlekkenzeep’ – in de achterbak van de bestelbus had gelaten. „Die demonstratie duurt twintig minuten. Het is hopeloos.”

Ze stak de ene na de andere Marlboro op en zei dat ontharen de toekomst had. „Wielrenners doen het ook. Lekker fris.”

En zo was er een heel leger.

Van de vrouw met de eeltkrabbers - een plastic doosje waaraan een rasp zit – tot een Turkse familie met simlockvrije iPhones en een man met EHBO-pakketten: allemaal zagen ze ooit gouden bergen en zaten ze nu met een schuur vol handel.

De standplaatsen op braderieën werden verdeeld door StarPromotions, een bedrijf uit Bleiswijk dat bijna een monopolie had. Ene John, een magere man met een pokdalig gezicht en een enorme sleutelbos aan de riem kwam het ‘sta-geld’ persoonlijk innen en controleerde de kramen.

‘Klagers’ kwamen op een zwarte lijst, wat een achteraf plaats op een volgende braderie of jaarmarkt betekende. Het sta-geld, een euro of zeventig, werd door vrijwel niemand terug verdiend, wat het enorme verloop onder de handelaren verklaarde.

De enige echt vrolijke handelaar die ik ooit ontmoette was de heer Hans Rigter, bijgenaamd de ‘spraakwaterval uit Zwartsluis’. Hij sprak mensen aan op rijm, want daar was hij beroemd om.

Hallo daar in je korte broek...

Wat doe je met dat opschrijfboek?

Of handel je in pannenkoek?

En zo ging dat maar door, een man kortom naast wie je met je handel liever niet stond.

„Het maakt niet uit wat je verkoopt, maar hoe je het verkoopt”, zei Hans, terwijl hij voor een mevrouw een verrassingspakket van wel twaalf potten zalf en crèmes samenstelde. Hij verkocht schoonheidsproducten, maar hij had ook wonderdoekjes, kersenpittenzakken en Belgische spekken. „Ik ben een beetje aparter dan de rest”, zei Hans. „Als ik op de Veluwe ben zet ik een kartonnen doos op mijn hoofd. Dat onthouden de mensen.”

In Vinkeveen waren geen klanten.

Twee scootmobiels crosten door grote plassen water langs de kramen. Ik stond even stil bij een mevrouw die rollen bakfolie verkocht.

„De pan blijft schoon, de jus trekt in het vlees”, zei ze zo enthousiast mogelijk.

Er was haar bij de aanschaf van ‘een paar pallets’ verteld dat Nederland op zoiets zat te wachten. Ze had er nog weinig van gemerkt, maar als ze thuis kwam van een dag hard werken gebruikte ze het zelf wel altijd. „En ik moet zeggen... Ideaal!”

Voor de Kring Apotheek stond de met blauw plastic versierde kraam van een handelaar in hapjespannen. Hij liep mank vanwege ‘een bloeding’, iets waar bevriende handelaren met enige regelmaat naar vroegen.

„Hoe is het met je broer en de bloedingen?”

Dan trok hij een somber gezicht.

„Bloedingen... dat is veel belangrijker dan geld.”

Voor fotograaf Jan-Dirk, die daar schijnbaar interesse in had, kwam hij met een recept voor ‘suddervlees’, een lekkernij uit het oosten van het land waarbij ‘de vleesklompen totaal zijn gesmoord’. In zijn hapjespan duurde zoiets drie minuten.

Hij had twee pannen verkocht, niet veel, maar hij had goede hoop dat het product zichzelf ging rond spreken.

„Wellicht ook wel via de twitters.”

En voor de rest hield hij zich vast aan een oude braderieregel.

„Als ik maar straal, dan komen de mensen vanzelf.”