Wonder van komische timing

Kroegkomiek. Tv-grappenmaker. Serieus acteur.

John Kraaijkamp genoot van zijn status als lievelingskomiek, maar raakte ook ontregeld en depressief.

Zijn vader was „te oud en krakkemikkig” om nog op tournee te gaan, zei acteur John Kraaijkamp junior vorig jaar, op de 85ste verjaardag van de man die door velen liefkozend „de oude Kraaij” werd genoemd. De presentatie van een boek over zijn leven en werken werd een serene huldiging met een weemoedige ondertoon – een huldiging die dus tegelijkertijd een afscheid bleek te zijn. Zelf onderging Kraaijkamp de samenkomst met een ondoorgrondelijk lege blik, zonder één woord te zeggen. Breekbaar en onbeweeglijk zat hij op het podium van het Rosa Spierhuis in Laren, waar hij de laatste jaren van zijn leven woonde. Hij was bijna onherkenbaar, de kwieke komediant met het onweerstaanbare clownsgezicht die vele jaren de beste komiek onder de acteurs en de beste acteur onder de komieken was.

Zondagmiddag is hij thuis gestorven, op 86-jarige leeftijd, in het bijzijn van zijn vier kinderen, zijn derde ex-vrouw en zijn beste vriend.

Zijn laatste rol speelde Kraaijkamp in 2005 in The Price van Arthur Miller, als een oerslimme sjacheraar die af en toe lucht gaf aan het nogal larmoyante stuk. Alleen al de pesterig trage manier waarop hij zwijgend een eitje pelde en opat, was een wonder van mimiek en komische timing – door een acteur die geen enkele kunstgreep hoefde toe te passen om onbedaarlijk grappig te zijn. Hij speelde toen al geruime tijd met behulp van een „oortje”, een gehoorapparaatje waardoor hem de woorden werden gesouffleerd. Maar daar was niets van te merken; ook toen zijn geheugen nog geheel in orde was, praatte hij meestal al met onnavolgbare timing om de vastgelegde tekst heen. Als geen ander wist hij immers altijd waar de lach zat, zelfs als ergens in de verste verte geen lach te halen leek. De lach was zijn leven.

„De kunst is om in de humor altijd iets van tragiek te laten meeklinken en omgekeerd”, zei hij in NRC Handelsblad. Die kunst beheerste Kraaijkamp, puur door intuïtie, tot in de finesses. Aanvankelijk, in de jaren vijftig en zestig, nog zonder het zo expliciet te kunnen benoemen: door in een sketch de sympathie van het publiek te wekken met de oogopslag van de underdog, als Rijk de Gooyer – met wie hij jarenlang, hoe conflictueus soms ook, een komisch duo vormde – hem weer eens een loer had gedraaid. Maar allengs wist hij die techniek steeds bewuster toe te passen, vooral nadat hij, in 1979 bij het RO Theater, had ontdekt dat komedie en tragedie ook in King Lear samengingen.

Als kleine jongen in het oude Amsterdam-West maakte Jan Hendrik Kraaijkamp zijn schoolvriendjes aan het lachen door volwassenen uit hun omgeving na te doen. Zijn eerste echte applaus kreeg hij tijdens de bezetting als jongenssopraan in de kleine revuetjes die destijds in de Amsterdamse volksbuurten veelvuldig werden gespeeld. Zijn voornaamste rivaal was Carel Verbrugge, de latere Willy Alberti. Toen de baard in de keel kwam, werkte Kraaijkamp in de eerste naoorlogse jaren als bassist en „zingende zot” bij diverse dansorkestjes in de Amsterdamse horeca. Hij was de gangmaker, de showman. En zo werd hij in 1955 ontdekt door Simon Carmiggelt, die in zijn veelgelezen column in Het Parool opriep tot een bezoek aan het Café de Paris om dit nieuwe komische talent te gaan zien: „Zijn knotse vertellingen tintelen van een humoristische vindingrijkdom en een blijmoedige uitbundigheid.”

Dit advies werd onder meer opgevolgd door de AVRO-directie die de dertigjarige Kraaijkamp prompt engageerde om een maandelijkse tv-show te presenteren en door de radiokomiek Rijk de Gooyer die voorstelde om voortaan een duo te vormen. Kraaijkamp als komiek en De Gooyer als aangever. Binnen de kortste keren waren Johnny & Rijk de populairste grappenmakers van het land. Niet alleen op de televisie, maar ook op plaat en op de honderden feestavonden die ze in die tijd hebben opgeluisterd. Daarnaast werkten ze ook nog als solist. Kraaijkamps eerste artistieke hoogtepunt was de rol van de sluwe Fagin, de roverhoofdman van een zakkenrollertjesbende, in de musical Oliver! (1963). Hij kreeg mooie kritieken, maar veel publiek kwam er niet.

Kraaijkamp genoot van de status van lievelingskomiek, maar raakte ook ontregeld en depressief. Hij dronk te veel, zijn eerste twee huwelijken mislukten en hij was weleens onvindbaar als hij ergens moest optreden. Gaandeweg verloor hij alle plezier in zijn werk. Hij ruziede met zijn compagnon. Kraaijkamp vond dat een komiek nooit de sympathie van het publiek mocht verliezen, terwijl De Gooyer een harder en dus riskanter soort humor voorstond. Ook wierp De Gooyer hem vaak een gebrek aan discipline voor de voeten.

In 1967, toen ze als extra attractie in de Snip & Snap Revue stonden, voelde hij zich gedegradeerd tot „edelfigurant” naast sterren Willy Walden en Piet Muyselaar. Hij trachtte zijn chagrijn weg te drinken en bleef weg met vage excuses, tot producent René Sleeswijk hem ontsloeg. Ook een daaropvolgende serie Johnny & Rijk-shows werd wegens onderlinge onenigheid gestopt. Hun laatste duo-optreden vond in 1973 plaats in de geflopte filmkomedie Geen paniek.

Kraaijkamp speelde ook subtiele filmrollen, onder meer als getraumatiseerd verzetsman in De aanslag (1986) en norse boer in Iris (1987). Maar veel vaker verscheen hij in tv-series, zoals het eindeloos herhaalde ’t Zonnetje in huis, en in het theater. Na zijn verrassende entree in het klassieke toneel, in King Lear, leek het alsof hij daar zijn nieuwe heil had gevonden. Zijn titelrol in Jacques de fatalist en zijn meester van Diderot leverde hem in 1984 zelfs de Louis d’Or op, de grootste toneelprijs van Nederland. Na een paar jaar stapte hij toch over naar de vrije sector – mede voor het geld, waarmee hij zichzelf wilde verzekeren van een onbezorgde oude dag. Als gegarandeerd publiekstrekker werd Kraaijkamp vanaf 1992 in de watten gelegd door producent Joop van den Ende en speelde hij elk jaar een hoofdrol, tot The Price in 2005.

Toen hem twee jaar later de Blijvend Applaus Prijs werd toebedeeld, ontkende Kraaijkamp nog dat hij afscheid had genomen: „Ik ben nog wel wat van plan.” Maar zijn omgeving wist toen al dat dat er nooit meer van zou komen.