Traag en onzeker dankzij pa en ma

Met stevige maatregelen wil het kabinet ambitieuze studenten kweken.

De aard van het probleem wordt echter niet benoemd.

Strengere selectie aan de poort van het hoger onderwijs, meer verplichte colleges, minder herexamens, boetes voor langstudeerders. Staatssecretaris Zijlstra (Onderwijs, VVD) zet de aanval in op de gewraakte zesjescultuur in Nederland. Wanneer je het onderzoek van het Research Center for Education and the Labour Market (ROA) uit 2007 bekijkt, lijkt dat geen slecht idee. Met 31 studie-uren per week zit de Nederlandse student onder het Europese gemiddelde van 36 uur. Alleen Tsjechen en Finnen doen minder, de ijverigste student is de Franse met 43 uur per week. Een kwart van de Nederlandse studenten verrichtte meer werk dan nodig om een tentamen te halen, slechts twee landen presteerden slechter. Een derde van de Nederlandse studenten streefde naar het hoogste cijfer: de laagste score van heel Europa.

De stevige maatregelen uit de koker van de staatssecretaris kun je zien als manier om een mentaliteitsverandering te forceren met als doel de relatief luie student tot een ambitieus werkpaard om te toveren. De vraag is of dit gaat werken. Want ligt er wel luiheid ten grondslag aan dit gedrag? En als dat zo is, waar wordt die dan door gevoed? Zonder duidelijkheid over de aard van het probleem is de oplossing van Zijlstra wellicht het antwoord op de verkeerde vraag.

In het Amerikaanse magazine The Atlantic beschrijft schrijver en therapeut Lori Gottlieb een fenomeen dat een interessant licht werpt op de ogenschijnlijke luiheid van de Nederlandse student. In haar praktijk ziet Gottlieb veel twintigers die kampen met gevoelens van leegte, onzekerheid en verwardheid: een weinig vruchtbare voedingsbodem voor ambitie. De standaardaanname bij psychische problematiek is dat er tenminste een te kritische moeder of afwezige vader in het spel moet zijn. Maar deze cliënten vertellen dat hun ouders hun beste vrienden zijn die altijd voor hen klaar staan. Het zijn ouders die, schrijft Gottlieb, hen vroeger van het ene clubje naar het andere brachten, ’s avonds hielpen met het huiswerk en ingrepen wanneer er een conflict was. Ouders zo perfect dat Gottlieb zich begon af te vragen of ze misschien te veel hadden gedaan.

In haar zoektocht langs verschillende deskundigen – onderwijzers, psychologen, sociologen – ontdekt ze dat de focus op geluk en zelfvertrouwen een aannemelijke verklaring biedt voor het ongeluk van de jongvolwassenen in haar behandelkamer. Dat werkt als volgt: door elke pijn (mislukking, verlies, stomme pech) uit de weg te ruimen ontzeg je kinderen de mogelijkheid zich te leren verhouden tot de rauwe kant van het bestaan. Bovendien krijgen ze de boodschap dat ze niet tegen moeilijkheden opgewassen zijn en dat zet niet aan tot grootse prestaties, daar heb je nu juist een flinke dosis doorzettingsvermogen en een dikke huid voor nodig.

De obsessie met zelfvertrouwen heeft ervoor gezorgd dat kinderen voornamelijk positief worden bekrachtigd, no matter what. Uit verschillende onderzoeken is inmiddels gebleken dat een opgeblazen zelfgevoel, niet gestoeld op reële prestaties, uiteindelijk minder zeker maakt. Zelfvertrouwen is het resultaat van (kleine) successen en bevredigende sociale relaties, niet van een vader of moeder die je elke dag vertelt hoe fantastisch je bent. Met andere woorden: je krijgt een goed gevoel over jezelf wanneer je iets voor elkaar krijgt en vooral wanneer je jezelf verbaast als blijkt dat je meer kunt dan je dacht – je haalt een zeven in plaats van een vijf voor natuurkunde, een negen in plaats van een zeven.

Het relaas van Gottlieb is nauw verwant aan dat van de Nederlandse hoogleraar psychologie Jan Derksen. Ook Nederlandse opvoeders plaveien de paden voor hun kinderen en zadelen ze op met een onrealistisch positief zelfbeeld, aldus de hoogleraar. Een recent voorbeeld is de ‘brugklastraining’ voor kinderen die naar de middelbare school gaan. In deze training wordt kinderen geleerd hoe ze zich het best kunnen gedragen en presenteren om niet te worden verscheurd door ouderejaars. Onderdeel van de training zijn kaartjes met teksten als ‘Ik hou van mezelf!’, bedoeld om het wankele zelfgevoel van de brugpieper in spe te stutten. Niet alleen is het de vraag wat zo’n kaartje voor een effect heeft wanneer je in je eentje met je veel te nieuwe schooltas dwars door de aula moet, gadegeslagen door minachtende blikken van de bovenbouw, feit dat je zo’n training nodig zou hebben doet vermoeden dat je tot de tand bewapend de middelbare school moet betreden. Je kunt je voorstellen hoe verwarrend het is wanneer je de boodschap krijgt dat voor redelijk normale situaties training is vereist, terwijl je tegelijkertijd hoort dat je geweldig bent zoals je bent.

Niet alleen heeft de nadruk van opvoeders op zelfvertrouwen en geluk mogelijk een averechts effect, het zorgt er ook voor dat succes en ambitie worden gerelativeerd. Succes is niet zaligmakend, maar het belang ervan moet ook niet worden onderschat. Het is prettig om ergens hard voor te werken en beter in te worden, met wat mazzel maakt het je zelfs een beetje gelukkig. Zoals een hoogleraar sociologie in het stuk van Gottlieb zegt: „Geluk als doel is het recept voor rampspoed.” Helemaal als dan op je achttiende ook nog eens blijkt dat het toch verstandig was geweest wanneer je voor een negen of tien was gegaan, in plaats van een zeven. Ben je niet alleen ongelukkig maar ook nog eens middelmatig.

Marte Kaan studeerde psychologie aan de Universiteit van Amsterdam, was twee jaar werkzaam als psycholoog en is nu freelance journalist voor o.a. nrc.next, de Volkskrant, Vrij Nederland, De Groene Amsterdammer en Mind Magazine.