Stuk grond voor een paar brommers

Op het Afrikaanse platteland rijzen steeds vaker conflicten over grond, voorspellen Nederlandse onderzoekers. Kleine boeren leggen het af tegen buitenlandse investeer-ders en de Afrikaanse stads-elites. Een kapitale fout.

Miljoenen hectares Afrikaanse landbouwgrond zijn de afgelopen jaren in gebruik genomen door buitenlandse bedrijven die voedsel en biobrandstoffen willen exporteren. De controverse over ‘landroof’ in arme landen krijgt zó veel aandacht, dat het lijkt alsof alleen buitenlanders grond innemen.

Dat is niet zo. Ook de Afrikaanse stadselites kopen in steeds hoger tempo steeds grotere lappen grond aan. Ambtenaren, politici, legerofficieren en managers van staatsbedrijven willen allemaal eigenaar worden van grond waarop lucratieve gewassen als maïs, teakhout of rubber verbouwd kunnen worden.

Het platteland, zo denken ze, is een goede investering. Op het platteland is iets te halen. Zeker nu stadsgrond in veel West-Afrikaanse landen onbetaalbaar is geworden. Maar waar buitenlandse investeerders met argusogen worden gevolgd, kunnen lokale investeerders ongestoord pionieren op het platteland.

Landaankoop door de Afrikaanse stadselite is veel minder zichtbaar dan de komst van machtige consortia uit Saoedi-Arabië of Londen, maar heeft net zo’n grote impact op landbouw en milieu, betogen de Nederlandse onderzoekers Thea Hilhorst en Joost Nelen.

Hilhorst is als adviseur verbonden aan het Koninklijke Instituut voor de Tropen (KIT). Nelen woont in Burkina Faso en werkt voor de ontwikkelingsorganisatie SNV. Samen met Afrikaanse boerenorganisaties hielden ze 99 investeringsprojecten in Burkina Faso, Niger en Benin tegen het licht, variërend in grootte van 20 tot 200 hectares.

De conclusie: het kan niet anders dan dat conflicten over grond fors gaan toenemen. Kleine boeren beginnen de controle kwijt te raken over landbouwgrond. Nomadische veehouders verliezen toegang tot grasland en water.

Recent onderzoek van de Wereldbank en academici wijst uit dat land grabbing door buitenlandse bedrijven tot nu toe amper banen in de arme gastlanden heeft opgeleverd. Beloofde wegen en waterputten blijven uit. Ook de lokale investeerders in Burkina Faso, Niger en Benin, drie landen met een onbarmhartig klimaat waar een meerderheid van de bevolking desondanks van landbouw en veehouderij leeft, doen weinig voor de economie, aldus Hilhorst en Nelen.

Het begint bij de manier waarop het land verhandeld wordt. „Het is een heel diffuus en ondoorzichtig proces”, vertelt Nelen telefonisch. „Veel transacties blijven onopgemerkt. Een hoge ambtenaar die een paar brommers aan een dorpshoofd geeft om in aanmerking te komen voor een stuk grond gaat zelden naar de gemeente om de transactie vast te leggen. Dan zijn er dorpshoofden die niet eens aan hun kinderen vertellen welk terrein ze hebben verkocht.”

Een groot deel van de stadselite koopt grond en wacht tot het in de waarde stijgt, soms in de hoop het door te verkopen aan een buitenlands bedrijf. Maar er is ook een andere categorie die het best als ‘weekendboeren’ omschreven kan worden – de stadscowboys die denken dat ze het beter kunnen dan de boerenfamilies en er niet over peinzen advies in te winnen. Ze sluiten onderhandse deals, negeren de wetgeving voor landbeheer, kennen het verschil niet tussen gewone en beschermde boomsoorten en hoeven aan vrijwel niemand rekenschap af te leggen.

„De regering van Burkina Faso roept al jaren dat de landbouw professioneler en grootschaliger moet worden aangepakt”, zegt Hilhorst. „Het dominante idee is dat vernieuwing van buitenaf moet komen en dat kleine boeren dat niet kunnen.”

Bijna alle investeerders maken de kapitale fout hun nieuwe bezit eerst netjes plat te vegen met een bulldozer, want bulldozers zouden bij moderne landbouw horen. Ze weten niet, schrijven Hilhorst en Nelen, dat ze de bovenste laag met de meest vruchtbare grond daarmee in één klap hebben weggevaagd. De meeste weekendboeren hebben uiteindelijk hogere productiekosten en lagere opbrengsten dan de kleine boer.

Zo dreigt de West-Afrikaanse stadselite over tien à twintig jaar een lappendeken van onbruikbaar land achter te laten, terwijl kleine boeren steeds minder grond hebben om voedsel op te verbouwen. „We hebben gekeken naar een heterogene groep die varieert van speculanten tot ondernemers die serieus iets proberen te verbouwen”, zegt Nelen. „Soms tref je een vernieuwend initiatief, zoals een melkboerderij. Maar de mensen die innoveren zijn echt een hele kleine minderheid.”

Ook de landelijke overheid heeft geen overzicht over de transacties, en ziet niet toe op toepassing van bestaande wetgeving voor landbeheer en milieu, zegt Hilhorst, die van een ‘gemiste kans’ spreekt. Hilhorst: „Nu landbouwgrond in West-Afrika nog goedkoop is, versterkt dat het idee onder investeerders dat ze er ook niet zuinig mee om hoeven te springen. In sommige gevallen brengt de verkoop van het hout op het land meer op dan de prijs van het land zelf. Of ze verbouwen twee jaar maïs om hun investering terug te verdienen en laten de grond vervolgens verwaarlozen als de opbrengst terugloopt.”

Boerenorganisaties zijn zich steeds vaker bewust van het probleem en proberen het onder aandacht van de landelijke overheid te brengen. Hilhorst: „Er moeten betere afspraken gemaakt worden en er moet scherper geselecteerd worden op wie mag komen weekendboeren. Zoals het nu gaat, wordt het economische potentieel van de familielandbouw volledig ontkend. Want als je gaat vergelijken tussen de nieuwe investeerders en de familieboerderij, komt de familieboerderij er op alle fronten beter uit. We voorzien grote problemen.”