Meer dan dat zwetende hoopje lijf

Met een geroutineerd gebaar doe ik mijn spullen in mijn kluisje en loop naar beneden, waar housemuziek en het geluid van zoevende apparaten klinkt. In de grote ruimte staan zwetende meisjes op loopbanden, fietsjes, crosstrainers en liggen in vreemde posities op een obscuur trilapparaat dat blijkbaar de oversteek van TelSell naar het echte leven heeft

Met een geroutineerd gebaar doe ik mijn spullen in mijn kluisje en loop naar beneden, waar housemuziek en het geluid van zoevende apparaten klinkt. In de grote ruimte staan zwetende meisjes op loopbanden, fietsjes, crosstrainers en liggen in vreemde posities op een obscuur trilapparaat dat blijkbaar de oversteek van TelSell naar het echte leven heeft gehaald. Op de crosstrainer doe ik snel mijn koptelefoondopjes in en spreid een krant voor me uit, om zo net te doen of ik alleen en thuis ben – de volgende stap is waarschijnlijk dat ik een ficus en een schaal tompoezen meeneem.

De sportschool is een plek waar ik me haast altijd ongemakkelijk voel. In de sportschool wordt namelijk iedereen gereduceerd tot één ding: een sportend lijf. Niemand praat tegen elkaar, dus een talent voor roddels of verhalen over Russische ruimtevaart is nutteloos. Niemand kent je beroep, dus ook zekerheden als ‘ja, klopt, Personeelszaken. Ik ben een echt mensenmens’ vallen weg. Zelfs de onderscheiding die je kan aanbrengen door smaak of uiterlijk, is verwaarloosbaar: iedereen draagt een trainingsbroek, gympen en een shirt. Wat er dus overblijft, is een lichaam dat aan het sporten is. Wat er in mijn geval overblijft: een meisje in slobberige sportkleren, dat in de groepslessen als enige haar tenen niet kan aanraken.

Er is maar één groep die overeind blijft in een sportschool en dat zijn de instructeurs. Zij hebben een naam. Ze hebben een beroep. Ze hebben zelfs flitsende pakjes en handschoentjes van aerodynamisch neonkleurig materiaal, die voor gewone sportende stervelingen niet weggelegd lijken. Als ze door de ruimte lopen, groeten ze losjes wat mensen om zich heen, als royalty in spandex.

Ik ben altijd geïntimideerd.

Het is niet zo dat ik liever sportinstructeur had willen zijn, of dat ik vrienden met hen wil worden voor het geval de wereld vergaat en ik iemand nodig heb die getraind is in bankjes op en af stappen, maar zodra een instructeur mij aanspreekt, gaat het mis – juist omdat ik wil laten zien dat ik heus meer ben dan dat zwetende hoopje lijf. Veel te gretig probeer ik te antwoorden, terwijl ik ondertussen mijn iPod laat vallen, mijn knie stoot tegen een toestel, mijn evenwicht verlies en een onbegrijpelijk grapje maak over Dr. Phil, waarop een afwachtende stilte volgt.

Het is beter om alle contact te mijden.

Laatst bereikte de ongemakkelijkheid een nieuw hoogtepunt: na het sporten ging ik even een supermarkt in en toen ik weer naar buiten stapte, liep daar een Amerikaanse instructrice. Ze herkende me en vroeg vriendelijk: „Hey! What did you buy?” Het kwam wellicht door het onverwachte terrein. Ik hield mijn tas met daarin een zak kattenvoer omhoog en riep: „Catfeet!” Ze knikte even en liep door, terwijl ik mezelf afvroeg: heb ik nou net gezegd dat ik kattenvoetjes heb gekocht?