Maffiaclan rond Karzai brokkelt af

Vermoorde Jan Mohammed had een grote rol in de clan rond de Afghaanse president.

Karzai zal nu proberen de getrouwen in zijn kring zo snel mogelijk te herschikken.

De Afghaanse president Hamid Karzai zal hebben gehuild toen hij zondag het nieuws hoorde dat een van zijn beste vrienden, Jan Mohammed Khan, was vermoord. Nederlandse militairen die te maken hadden met Jan Mohammed Khan als gouverneur van de provincie Uruzgan, beschouwden hem meer als een vijand dan als een bondgenoot.

Jan Mohammed Khan kwam om het leven toen drie mannen zijn villa in hartje Kabul binnendrongen en hem en een bevriende parlementariër doodschoten. President Karzai, die bekendstaat als een emotionele man, was amper bekomen van de moord, op zijn halfbroer Ahmed Wali Karzai vorige week. Wali Karzai speelde, nog meer dan Jan Mohammed Khan, een sleutelrol in het kleine maar machtige maffianetwerk dat Afghanistan feitelijk bestuurt. Ahmed Wali Karzai was de informele koning van de zuidelijke stad Kandahar. Hij werd doodgeschoten door één van zijn vertrouwelingen.

Met de dood van Jan Mohammed Khan valt opnieuw een steunpilaar van president Karzai weg, maar ook een „zeer goede vriend”, zoals Karzai verklaarde in eerdere gesprekken met deze krant. Jan Mohammed Khan redde in de jaren tachtig het leven van de president en dat zal hij nooit vergeten. De president maakte duidelijk dat als in Afghanistan iemand je leven redt, je voor eeuwig bij hem in het krijt staat.

Dat Jan Mohammed een krijgsheer was die met name Uruzgan onveilig heeft gemaakt, kon de president niet schelen. Sterker nog, hij was het met die mening simpelweg niet eens. „Jan Mohammed wil scholen bouwen”, bleef Karzai volhouden.

Sinds Karzai in 2002 Jan Mohammed aan de macht hielp als gouverneur van Uruzgan, ging het bergafwaarts met het gebied. Met steun van Amerikaanse ‘special forces’, die een ‘Talibaanvreter’ aan de macht wilden, lokte hij juist verzet uit. Jan Mohammed maakte, net als zijn collega’s in andere zuidelijke provincies, jacht op al zijn rivalen. Hij zei tegen zijn „beste vrienden”, zoals hij de Amerikanen altijd noemde, dat het om Talibaan ging. De commando’s checkten de informatie niet altijd – er zijn vele verhalen over inwoners van Uruzgan die het gebied zijn uitgejaagd omdat Jan Mohammed ze te machtig vond of een oude vete met hen had. Sommigen kunnen het niet navertellen: ze werden vermoord.

Tot grote ontevredenheid van president Karzai eisten de Britten, de Canadezen en de Nederlanders in 2006 het ontslag van zijn protegé in het zuiden. Karzai gaf toe omdat hij op dat moment extra troepen nodig had voor zijn eigen veiligheid. Maar hij liet indirect weten dat de westerse bondgenoten niet aan zijn getrouwen moesten komen.

Op allerlei manieren gaf hij deze mannen vrij baan. Ze ontwikkelden zich tot schaduwleiders en werden oncontroleerbaar voor de Nederlandse militairen en anderen. Niet voor niets zeiden Nederlandse militairen herhaaldelijk dat niet de Talibaan de grootste vijand waren voor Uruzgan, maar juist die beste vriend van president Karzai. Neem de rakettenregen die in 2008 en 2009 op Kamp Holland neerdaalde. Na onderzoek bleek dat Jan Mohammed, samen met een stamgenoot binnen de Talibaan, zo zijn macht wilde tonen. Bij dit bombardement kwam een Nederlandse militair om het leven.

Hoe het nu verder gaat met de veiligheidssituatie in het zuiden is nog moeilijk te zeggen. Sommigen hopen dat met het uitschakelen van deze krijgsheren getalenteerde bestuurders met schone handen een kans zullen krijgen. Maar of dat zal gebeuren is zeer de vraag. Hamid Karzai ontpopte zich meer tot een tribale leider dan tot een president voor alle Afghanen.

Hij zal omwille van zijn veiligheid waarschijnlijk niet naar de begrafenis van Jan Mohammed kunnen. Hij zal proberen de getrouwen in zijn kring zo snel mogelijk te herschikken, zodat er geen machtsvacuüm ontstaat. President Karzai, die meer en meer in de verdrukking komt, wil blind kunnen vertrouwen op de krijgsheren, die hem helpen politiek te overleven. Dat is voor hem nu belangrijker dan wat de Afghanen eigenlijk willen: eerlijke bestuurders die iedereen kan vertrouwen.