Lachend de Schengenzone in, of is dat juist verdacht?

Ik ben verwend. De controles aan de Nederlandse grenzen werden in 1995 afgeschaft, het jaar dat ik met rijlessen begon. Pas toen ik tien jaar later naar de Balkan verhuisde, leerde ik wat het betekent om aan de grens te moeten wachten – je weet nooit precies hoe lang – en gecontroleerd te worden.

Het geeft een raar soort spanning als beambten door mijn paspoort bladeren op zoek naar de laatste stempel. Je bent overgeleverd aan het oordeel van een ander met macht. Ook al heb ik niets gedaan, ik zet me mentaal vast schrap om me te verdedigen tegen rare vragen. Moet ik lachen, of is dat juist verdacht?

Eigenlijk voelen zelfs neutrale vragen als een inbreuk op mijn privacy, alsof ik zonder aanleiding door de politie ben gestopt voor ondervraging. Waar gaat u heen? Waar komt u vandaan? Waarom? Hoeveel geld heeft u bij u? Alcohol of sigaretten? Ik schud mijn hoofd. De douanier gebaart toch dat ik de kofferbak moet openen.

Zeker nu in de zomer is niet goed in te schatten hoe lang ik over een rit tussen twee hoofdsteden doe. Van Belgrado naar Boedapest of naar Sofia is beide een kleine vierhonderd kilometer. Naar beide kanten rijd ik de EU in vanuit een niet-EU land. De routeplanner geeft een tijd aan, maar houdt geen rekening met de drukte bij de grens. Vooral rond feestdagen en als in West-Europa de schoolvakanties beginnen kan het gedoe aan de grens het plezier in een rit verpesten en de reistijd verdubbelen.

Het voelt dan alsof je een fuik in rijdt. Inschatten welke rij gunstiger is lukt niet, want er is geen overzicht, daarvoor zijn de rijen te lang.

EU-burgers mogen de doorgang onder de EU-sterren nemen, maar dat levert weinig tijdsbesparing op. De meeste auto’s hebben Oostenrijkse of Duitse kentekens, geëmigreerde Bulgaren, Turken of Serviërs die op bezoek waren bij familie in het moederland.

Op het wegdek liggen streepjes water van de airco’s die op volle toeren draaien. Schaduw is er niet. Temperaturen lopen op tot tegen de veertig graden.

Kinderen jengelen op de hete achterbanken. Wie benzine wil sparen en het zonder airco redt, zet de motor uit en duwt de auto steeds een plaatsje naar voren.

De rijen bij grenzen en tolpoorten zijn plekken waar souvenirs worden verkocht en waar wordt gebedeld. Bij de Servisch-Hongaarse grens hangt aan Servische kant altijd een groep Roma kinderen in de berm die bij de laatst aangekomen auto’s op de ruiten tikken en om geld vragen.

De rit Servië-Hongarije duurt langer nu Hongarije (sinds december 2007) bij de Schengenzone zit. De Hongaren nemen de grenscontrole uiterst serieus. Naar Nederland rijd ik liever via Kroatië en Slovenië – ik wil ze ontwijken, die strenge Hongaren, terwijl ik niets te verbergen heb. Dat doet een grens met een mens. Nu komt het vaak voor dat Hongaarse herdershonden mijn auto besnuffelen of dat mijn hele koffer wordt doorzocht door mannen met brede schouders en een uniform. Het geluid van het stempel komt als een bevrijding. Ik ben goedgekeurd.