Internationaal recht is recht van de sterkste

Politieke leiders die een strafrechtelijke overtreding begaan, moeten worden vervolgd. Dat geldt voor alle landen, behalve voor de VS, stelt Geert-Jan Knoops vast.

Is strafrechtelijke vervolging van politieke leiders een modetrend aan het worden, of worden hier echt de regels van het internationaal recht toegepast? Ik ben geneigd om te concluderen dat de eerste variant zich voordoet.

Dit beeld werd deze maand bevestigd door een rapport van de Amerikaanse mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch. In dit 107 pagina’s tellende onderzoeksrapport – met de veelzeggende titel Getting away with torture: The Bush Administration and Mistreatment of Detainees – komt een stoet aan bewijs voorbij voor het feit dat oud-president George W. Bush en zijn kabinet zich tussen 2002 en 2005 schuldig hebben gemaakt aan het uitlokken van systematische marteling van terreurgevangenen door Amerikaanse officials, zodanig dat dit een strafrechtelijk onderzoek rechtvaardigt naar Bush, Cheney, Rumsfeld en oud-CIA-directeur Tenet. In mijn legal thriller Advocaat van de President (2010) is het mogelijke verloop van een dergelijke strafzaak beschreven, maar het is zeer de vraag of zo’n proces zich ook in het echt zou kunnen voordoen, gezien de politieke realiteit.

In eerste instantie lijken de VS het internationaal strafrecht serieus te nemen. Bij de besluiten tot vervolging van politieke en militaire leiders als Al-Bashir (Soedan), Gaddafi (Libië), Mladic en Karadzic (Servië) speelden de Amerikanen een doorslaggevende rol. In het geval van president Al-Bashir maakten de VS geen gebruik van hun vetorecht binnen de Veiligheidsraad (2005) om vervolging tegen te houden. Bij Gaddafi stemden de VS zelfs vóór resolutie 1973 (2011). De Libische situatie werd naar het Strafhof verwezen, ondanks het feit dat de VS de legitimiteit van dit Hof afzwoeren voor wat betreft de vervolging van hun eigen onderdanen. De VS waren zelfs een van de founding fathers van het Joegoslaviëtribunaal, hoewel ze zelf Servië keer op keer onder druk hebben gezet met economische sancties als het land Mladic en Karadzic niet zou uitleveren. Kortom, de VS wierpen zich tot dusverre op als de broeders hoeder van het internationaal strafrecht.

Volgens het internationaal recht waarop de VS zich in deze affaires laten voorstaan, heeft het land de absolute plicht om te onderzoeken of zijn officials zich schuldig hebben gemaakt aan marteling van gevangenen (die onder Amerikaanse jurisdictie vallen), maar dat gaat de VS blijkbaar te ver.

Het internationaal recht mag blijkbaar wel worden gebruikt om andere politici juridisch uit de weg te ruimen, maar niet de eigen Amerikaanse politici.

In augustus 2009 stelde de nieuwe, door president Obama benoemde minister Holder (Justitie) de aanklager John Durham aan, om vermeend misbruik van gevangenen door Amerikaanse officials te onderzoeken, maar Durham kreeg alleen de bevoegdheid om ongeautoriseerd martelen te onderzoeken. Durham was dus vleugellam voor wat betreft alle martelingen die door president Bush waren geautoriseerd, zoals het waterboarden.

Deze geautoriseerde martelmethoden betroffen nu juist de meerderheid van de gevallen. Zo goed als alle martelmethoden waren het gevolg van een welbewust besluit van de regering-Bush en niet slechts van individuele officials die de internationale regels schonden.

Was er bewijs voor het aanzetten tot martelen door de regering-Bush? Jazeker. President Bush erkende openlijk dat hij goedkeuring gaf aan het waterboarden, alsmede aan het opzetten van de illegale CIA-gevangenissen (black sites). Zijn rechterhand Dick Cheney was de drijvende kracht achter dit martelprogramma. Hij zat de bijeenkomsten met de CIA zelfs voor. Minister Rumsfeld (Defensie) keurde de martelmethoden goed. Hij oefende controle uit op de toepassing hiervan op Guantanamo Bay, op Mohamed Al-Qahtani. CIA-directeur George Tenet oefende de supervisie over het geheel uit.

Hoewel Bush erkende dat hij dit martelen had goedgekeurd, vond hij niet dat hij een strafbaar feit had gepleegd. De juristen van het ministerie van Justitie vonden het legaal. Daarom was het goed.

Volgens Human Rights Watch vergat Bush erbij te zeggen dat Dick Cheney deze juristen beïnvloedde in hun oordeel.

We moeten vaststellen dat de Amerikaanse regering dit verweer van Bush, in het geval van Al-Bashir, Gaddafi, Mladic en Karadzic, zo van tafel zou vegen. Ook moeten we vaststellen dat enkele landen, waaronder Zwitserland en Spanje, wel bereid waren tot het instellen van strafrechtelijke onderzoeken tegen voormalige officials van de regering-Bush. Uit de WikiLeaksdocumenten blijkt evenwel dat de VS – ook onder Obama – politieke druk uitoefenen op een land als Spanje om vooral deze zaken te laten vallen. Als een ander land dan de VS dit had gedaan, zou dit obstruction of justice heten.

De wereld van het internationaal recht kent in de praktijk dubbele standaarden. Hoe kunnen we ooit vertrouwen op een systeem dat zo duister en ongrijpbaar is?

Geert-Jan Knoops is hoogleraar internationaal strafrecht en internationaal strafrechtsadvocaat.