'Ik keek nooit om'

Naam: Gerben Karstens

Leeftijd: 69

Tourprestaties: zes ritoverwinningen, drie dagen gele trui (1974)

„Ik werd prof in 1965, Eddy Merckx in 1964. We hebben dus altijd tegen elkaar gekoerst. Voor veel renners was dat frustrerend, omdat hij zo vaak won. Ik reed graag met Eddy. Hij hield de boel bijeen. Als je hem kon volgen, sprintte je altijd voor de zege.

„Tegenwoordig worden al die groepssprints aangetrokken. Er zijn maar een paar echte topsprinters die kunnen winnen. Bij ons had je heel veel topsprinters, maar het was ieder voor zich. Ik wilde ook niet dat ze de sprint voor me aantrokken. Ik zocht liever zelf mijn weg.

„In die tijd had je vaak aankomsten op sintelbanen. Dat waren vlakke atletiekpistes, gevaarlijk in de bochten. Ik was onklopbaar op sintelbanen. Ik ging als een raket door de bocht, terwijl de andere sprinters niet durfden door te trappen. Ik mocht als twaalfde opdraaien, ik won nog.

„In mijn tijd had je maar twee bevoorradingen per rit. Dan kregen we een zakje met voeding en een drinkbus. Het probleem was dat we nooit genoeg te drinken hadden. Daarom waren we dus genoodzaakt onderweg cafés aan te doen. We roofden die helemaal leeg. Champagne, bier, cola: alles wat we maar te pakken kregen. Die alcohol was geen probleem, die zweette je toch direct weer uit.

„Ik zou nu geen renner meer willen zijn. Er wordt niet meer gelachen in de koers. Dat was bij mij wel anders. Ik haalde wel eens een stunt uit. Zo ben ik eens op de schouders van een ploegmaat door het peloton gereden.

„Mijn ritwinst op de Champs-Elysées [1976] blijft mijn mooiste Touroverwinning. Ik versnelde op anderhalve kilometer van de streep en kwam alleen aan. Voor alle duidelijkheid: we reden toen ook al zeventig per uur. Ik had een demarrage waarop niemand een antwoord had. Ik trainde daar specifiek op in Belgische kermiskoersen. Ik liet een groepje tweehonderd meter wegrijden, en reed het gat in een keer dicht.

„Ik heb serieuze vragen bij het koersgedrag van veel renners. Die Schlecks demarreren en kijken direct om. Dat had ik nooit moeten proberen, daarvoor ging ik veel te hard. Demarreren en gelijk omkijken, dat is toch een compleet gebrek aan zelfvertrouwen? Toen ik in 1965 Parijs-Tours won, reed ik de laatste acht kilometer alleen op kop. Ik wist dat ik ging winnen. Ik keek nooit achterom.”