Hoe zit het in Europa?

Binnen de EU is al in 2005 de handel in emissies in de plaats gekomen van een belasting op CO2-uitstoot. Sindsdien brengen overheden jaarlijks emissierechten op de markt. Elk emissierecht geeft een bedrijf het ‘recht’ om 1 ton CO2 uit te stoten. Ter vergelijking: een autoritje van Amsterdam naar Barcelona en weer terug is goed voor 0,34 ton CO2.

Tot 2012 is nu bepaald hoeveel 5.000 geselecteerde bedrijven, die samen de helft van alle CO2 in Europa uitstoten, in totaal mogen uitstoten. Vervolgens heeft elk bedrijf per jaar een bepaalde hoeveelheid gratis emissierechten gekregen die het mag gebruiken. Aan het eind van elk jaar moeten de bedrijven minstens zo veel ‘emissierechten’ inleveren als hun uitstoot van dat jaar was. Het idee is: als bedrijven investeren in schonere productie kunnen ze emissierechten besparen en de overbodige verkopen. Nuon stootte in 2007 4,4 miljoen ton CO2 uit, terwijl het 3,9 miljoen ton aan rechten kreeg. Het bedrijf moest dus voor een half miljoen ton emissierechten bijkopen. Levert een bedrijf alsnog te weinig rechten in, dan volgt een boete van 100 euro per ton. De Europese emissierechten worden op verschillende manieren verhandeld: direct tussen Europese bedrijven, via tussenpersonen wereldwijd of via de beurs.

Om de doelstellingen van Kyoto te halen, brengt de EU de totale hoeveelheid CO2 die uitgestoten mag worden langzaam naar beneden. Simpelweg door vanaf 2013 per jaar bijna twee procent minder rechten uit te geven. Uiteindelijk moet er schaarste aan rechten ontstaan, waardoor de prijs omhooggaat. Met de handel komt aan de CO2-uitstoot een prijskaartje te hangen. Volgens een rapport van de Wereldbank was de wereldwijde handel in CO2-rechten in 2009 goed voor 103 miljard euro.