De berg van het altaarstuk en de kruisgang

De Col du Galibier werd dankzij de Tour een mythische berg. Schrijver Auke Hulst kon de drang tot een beklimming niet weerstaan.

Wanneer de naam Galibier valt, volgt meestal in één adem ‘het dak van de Tour’. De Alpenreus, honderd jaar geleden voor het eerst in het parcours opgenomen, vormt samen met de Mont Ventoux, l’Alpe d’Huez en de Tourmalet het kwartet magische bergen van de Ronde van Frankrijk.

De Galibier was als enige van de vier, tot deze week, nooit finishplaats. Maar de hoogte, de zwaarte en het drama dat zich op de flanken heeft afgespeeld, garandeerden een plek in de geschiedenisboeken. Hier legde Marco Pantani op een barre dag in 1998 de basis voor zijn enige Tourzege. Een herinnering die later een rouwkrans kreeg omgehangen.

Ik ben een wielerfanaat, maar goeddeels een passieve. Voor het ultieme, meest literaire métier, klimmen, ben ik niet in de wieg gelegd. Ik ben 1.84 meter en weeg 84 kilo. Ik heb er, zacht gezegd, het postuur niet voor. Te zwaar, het verkeerde soort spieren en meer explosiviteit dan ausdauer. Toch wilde ik de Col du Galibier één keer bedwingen. Om mezelf te overwinnen? Om tegen mijn helden aan te kunnen schurken? Of om een existentiële reden: een halfbakken poging de uiterste grens te zoeken, de plek waar je de dood bijna kan aanraken en leeft op het scherp van de snede?

De Galibier begint, na de inleidende beschietingen van de Col de Télégraphe, serieus buiten het skidorpje Valloire. Je hebt dan al ‘een jasje uitgedaan’ en moet nog zeventien kilometer bergop, naar 2.645 meter. De eerste kilometers zijn relatief gemakkelijk – veredeld vals plat. De wegen zijn lang, breed en nog niet zo bochtig en steil als boven.

Hoewel ik al zwaar adem, heb ik nog oog voor de gifgroene weiden, het klateren van een beek en de majestueuze pieken die rondom oprijzen. Geluid draagt eindeloos hier. Schapen die een kilometer verder als maden over een bergwand krioelen, lijken praktisch naast me te staan mekkeren, hun bellen luid als kerkklokken. Wanneer ik op een pittiger deel afdalende auto’s passeer, ruik ik de scherpe geur van verschroeid metaal. Maar met de opbouwende vermoeidheid vernauwt mijn blik. In de periferie zijn nog wel die verpletterende vergezichten; ik verdwijn achter mijn eigen ogen, in mijn eigen hoofd. De gedachten worden basaler, doelgerichter. Ritme rijden. Niet forceren. Drinken. Eten. Overleven.

In deze streek rij je altijd in het spoor van de geschiedenis. In 1911, een jaar nadat Tourdirecteur en krantenman Henri Desgrange in de Pyreneeën de bergetappe had uitgevonden, zocht hij in de Alpen een decor voor meer heroïek. Hoe beestachtiger, hoe meer kranten hij kon verkopen. Frankrijks hoogste bergpas, aangelegd door genietroepen, werd als eerste bedwongen door Emile Georget, die zich door sneeuw en smurrie worstelde. In 1935 viel op de Galibier de eerste koersdode, in 1936 won de Zeeuw Theofiel Middelkamp de rit over de Galibier dankzij een magistrale afdaling.

D at alles was direct voltooid verleden tijd – klaar op het moment dat de krant L’Auto was gedrukt. De dag die voor mij de Galibier tot mythe verhief, zou jaren na dato nog radicaal veranderen in het licht van vers drama.

Op 27 juli 1998 regende het. Het kwik steeg nauwelijks boven het vriespunt en het woei. Klimgeit Pantani, eerder in de Tour op achterstand gezet door Jan Ullrich, plaatste op de Galibier een verschroeiende aanval. Het was gekkenwerk – het was nog ver naar de finish op Les Deux Alpes. Pantani leek bezeten. Op gele bandjes, gele schoentjes, in een zuurstoktricot en met een bandana om het hoofd, vloog hij de Galibier op. Ullrich bleef achter en werd gereduceerd tot een man die te lang in een mijn was opgesloten.

Ik was geen fan van Pantani – ik leed mee met Ullrich, die had vergeten op de top een regenjack aan te trekken en sowieso slecht tegen kou kon. Negen minuten zou hij verliezen – en daarmee de Tour. Der Jan. Toptalent dat te veel taartjes at in de winter. De tragiek van zijn ‘net-niet’ sprak me aan, al zou de tragiek van Pantani veel groter blijken. In de jaren na zijn Touroverwinning zou de Italiaan betrokken raken bij dopingschandalen. Hij kampte met depressies en een cocaïneverslaving en stierf in 2004, 34 jaar oud, alleen in een hotelkamer in Rimini. Aan een hartstilstand of een overdosis – hoe dan ook: aan het wielrennen. Als ik nu op YouTube de beelden van die legendarische etappe terugzie, bekruipt me het gevoel dat hij de hemel in probeert te rijden; klaar met hier en nu. Dat daar bedrog bij kwam kijken, is de religie noch het wielrennen vreemd. Toen was de Galibier het decor van zijn grootste zege. Sinds 2004 is het altaarstuk van zijn kruisgang.

Beneden was me gezegd dat het een goede dag was om de Galibier te beklimmen. Niet te warm, niet te koud, geen regen, geen sneeuw. Ik had stiekem gebaald – voor een verhaal zou Pantani’s beestenweer beter zijn. Maar halverwege is dat schrijversmasochisme weg. Hoe dichter bij de top, hoe imposanter de berg lijkt te worden. Ik ben al blij áls ik het haal.

Boven de 2.000 meter wordt de wereld steeds kaler. Bomen worden struikjes, worden gras, worden steen. De wereld laat zijn tanden zien. Scherpe bergketens, ijle lucht. Wielertoeristen – vrijwel allemaal mannen – jagen met gierende adem spookverschijningen na. Renners van weleer worden opgeroepen door die bocht, dat vergezicht, dat monument. Ze bestaan nog in verwassen letters op het asfalt (Txurruka, Mayo, Virenque) en in de herinneringen die wonen achter het weggetrokken gezicht van de wielertoerist. We worden zelf spookverschijningen; de ogen alleen nog op de weg, alle energie gericht op de benen, de trappers. Clichés die waar zijn. Hoe klein je bent. Hoe alleen.

I k hou halt bij het monument voor Pantani, vier kilometer onder de top. Een eenzaam beeld van een eenzame man in glas en brons. Toch zijn mijn gedachten niet bij hem, maar bij aardse ongemakken. Mijn edele delen slapen door te weinig bloedtoevoer. Het is alsof ze er tegelijk wel en niet zijn. Ik wacht tot het leven terugvloeit en ga weer verder.

Het is moeilijk jezelf te dwingen bergop te drinken. Het gaat tegen heug en meug. Hoe hoger ik kom, hoe vaker ik me bedenk dat ik al te lang geen slok heb genomen. Zuurstofgebrek begint zich te wreken, het stijgingspercentage gaat naar tien procent.

Honderd meter onder de top komt de rekening: kramp in mijn bovenbenen. Ze trekken samen met ongekend geweld. De pijn is hevig, maar niet zo erg als de gedachte het niet te zullen halen. Minutenlang probeer ik de kramp weg te masseren, de spieren besproeiend met sportdrank. Bijna binnen handbereik wordt verbroederd op de top – uitgelaten fietsers hebben praatjes gekregen en delen ervaringen. Ze maken foto’s bij het naambord; één coureur staat een pijp te roken. Als ze naar beneden zouden kijken, zouden ze iets te lachen hebben.

Uiteindelijk zou ik de top halen, opgelucht en een tikje beschaamd. Ik mag hier uitrusten, Pantani stortte zich naar beneden, door vitrages van regen, op weg naar zijn grootste overwinning en nog verder: de ultieme nederlaag.