Zing in alle talen, maar niet in Koerdisch!

De stad is er wel aan toe, zo’n jazzconcert in het openlucht theater van Istanbul. Een bloedhete week ligt achter ons, van zomerse temperaturen en slecht nieuws. Slechts een etmaal eerder flashten de 24-uurszenders de dood van dertien Turkse soldaten aan het front in het zuidoosten; de oorlog met de Koerden is daar in alle hevigheid teruggekeerd.

Maar in het Cemil Topuzlu theater lijkt die strijd afgelopen vrijdagavond ver weg. Een volle maan hangt boven het theater waarbinnen de elite van Istanbul bijeen is om te luisteren naar de Spaanse gitarist en tekstschrijver Javier Limón.

Die heeft beloofd om zijn ‘Mujeres de Agua’, de vrouwen van het water, te introduceren. Dat is een verzameling diva’s geboren langs de Middellandse Zee. Van Sandra Carrassco uit Andalusië, Rita uit Israël tot en met Glykeria uit Griekenland. De boodschap is: het maakt niet uit in welke taal je zingt, muziek verenigt ons allemaal.

De zaal vindt het prachtig, totdat de Turkse zangeres Aynur Dogan het podium op komt en het publiek in het Koerdisch begint toe te zingen. Nauwelijks is ze klaar met haar eerste lied of het publiek barst in woede los. „Zing in het Turks”, klinkt het uit het publiek.

Aynur lijkt het aanvankelijk niet goed te horen, of te begrijpen, en zet haar volgende lied in. ‘Dew Dew’ heet dat lied, dat is Koerdisch voor ayran, een Turkse drinkyoghurt.

Maar de onschuld van haar woorden ontgaat de zaal. Hele rijen staan op en beginnen de trappen naar de uitgang op te klimmen. Een fluitconcert vangt aan. Er vliegen waterflessen en zitkussens naar het podium.

Javier Limón lijkt niets te begrijpen van wat er voor hem gebeurt. Even daarvoor vleide hij het publiek nog met de woorden dat hij zoveel van deze stad houdt en dat de Turken tot de beste muzikanten behoren waarmee hij ooit op deze wereld heeft gespeeld. Nu komt zijn gitaar niet boven het boegeroep uit en verlaat zijn Turkse gast na drie liedjes vlug het podium.

Terwijl veiligheidsmensen in oranje hesjes de oproerkraaiers het theater uit proberen te drijven, wordt boven in het theater de beroemde mars van de Onafhankelijkheid ingezet, het lied waarmee Mustafa Kemal Atatürk het land een eeuw geleden bevrijdde van de buitenlandse bezetter. Turkse vrienden links en rechts van me begraven hun gezichten in schaamte voor hun landgenoten. „Dit kan echt niet.”

Als de donkere zangeres Buika uit Mallorca, kind van Afrikaanse ouders, daarna met een niks-aan-de-hand-lach op het podium verschijnt krijg ze extra hard applaus. Alsof de meerderheid die tot nu toe zweeg wil zeggen: dit is niet het openluchttheater van Turkse nationalisten, maar van iedereen.

Maar na afloop gaat het alleen nog over de Koerdische bijdrage van de avond. Had Aynur niet alsnog een lied in het Turks moeten zingen om het publiek tevreden te houden? Was haar optreden niet erg provocerend, 24 uur na de bloedige aanslag waartegen duizenden dit weekeinde protesteerden? Had ze misschien niet gewoon iets moeten zeggen over de gebeurtenissen elders in het land?

„Denk je echt dat dit de verantwoordelijkheid is van een Koerdische artiest”, zegt ze twee dagen later tegen de krant Radikal. „Als we ze met elkaar om blijven gaan, dan zullen we achter blijven op de rest van de wereld.”

Nee, neem dan een voorbeeld aan Nederland, zegt de artiest. Ze zong eerder op het North Sea Jazz Festival in Rotterdam. Daar klonk enkel applaus. „Als ik de reacties [op mijn optreden, red.] in Nederland vergelijk met de reacties in mijn eigen land, dan zijn wij echt achter gebleven.” Waar jazz en politiek van elkaar gescheiden zijn, begint volgens de zangeres de beschaving.