Pioniers en partizanen, alles van porselein

Correspondenten speuren deze zomer rommelmarkten af naar nationale trauma’s, passies of obsessies.

In Moskou is de vraag naar Sovjetkunst en -kitsch groot.

De zeildoeken lap met het getekende portret van Stalin gaat vandaag weg voor 4.000 roebel – zo’ n 100 euro. „Maar dan hebt u wel iets”, zegt verkoper Sasja. „Het is een origineel.” Als hem gevraagd wordt of die Stalin hem iets doet, haalt hij zijn schouders op. „Het is gewoon handel, hoor. Stalin is van ver voor mijn geboorte.”

Op de Ismajlovski-rommelmarkt in Moskou ligt de Sovjet-Unie voor het oprapen. Vaandels van de Communistische Partij, Lenin- en Stalinbustes, helmen, uniformen, geweren, propagandablaadjes, houten doosjes met de beeltenissen van de communistische leiders, speldjes. Opgepoetst en afgeborsteld. Allemaal als nieuw.

Toch lijkt 1992, het jaar waarin het Sovjetimperium uiteenviel, verder weg dan ooit, ook omdat de restanten ervan veel ouder ogen dan de tijd waarin ze zijn geproduceerd. De Sovjet-Unie van de jaren tachtig had tenslotte iets van een westers land van dertig jaar eerder.

Bij de marktkraampjes is de vraag naar Sovjetkunst en -kitsch nog altijd groot. De communistische parafernalia zijn vooral in trek bij toeristen, die vaak zonder moeite 100 euro neertellen voor een poster van Stalin of een doosje met de beeltenis van Lenin erop. De Russen speuren vooral naar antiek uit de tsarentijd, toen de dingen nog niet aan de lopende band werden vervaardigd en esthetiek en vakmanschap belangrijker waren dan goedkope massaproductie. Kandelaars, iconen, verweerde spiegels, dat is wat ze willen. Terug naar grootmoeders tijd. Een wat oudere Rus zul je er daarom niet zo snel een oud kookstel of een signaalhoorn zien kopen, maar eerder een koffergrammofoon waar oude dansplaten op kunnen worden gedraaid.

Dat 55 procent van de Russen terugverlangt naar de autoritaire dagen van weleer en meent dat de Sovjet-Unie een grote familie was, waar alles beter georganiseerd leek te zijn dan in het kapitalistische deel van de wereld, is op de markt in eerste instantie dus niet te merken. „Maar toen de Sovjet-Unie nog bestond, was iedereen bang voor haar”, zegt Oleg, een bejaarde antiekhandelaar.

Over die angst zegt de uitgestalde waar veel meer. Alles wat de kraampjes tentoonstellen moet grootmacht uitstralen, moet imponeren, moet zeggen: kom ons niet te na, of we slaan terug. Precies dat was het wezen van de Sovjet-Unie, een systeem dat zich alleen op die manier binnen- en buitenlands kon handhaven.

En toch was er binnen die strenge, harde wereld ook plaats voor het schone en het vertederende. De schilderijen van het landleven, die je overal op de markt kunt vinden, bewijzen het. Hooiende boeren en boerinnen, dorpsgezichten, vriendelijke riviertjes, de sneeuwjacht bij avond. Het is het Rusland zoals het al eeuwen bestaat.

Maar de allerbeste vertegenwoordigers van de Sovjetnostalgie zijn de vrijwel overal uitgestalde porseleinen beeldjes van ijshockeyers, tennissers, ballerina’s, voetballers, matrozen, boeren, fabrieksarbeiders, pioniers, partizanen en romanhelden als Gogols Bobtsjinski en Dobtsjinski. In de tijden van de stralende toekomst van het socialisme kostten ze een paar euro, maar twintig jaar na de val van dat systeem is de prijs honderd keer over de kop gegaan. „Die partizaan is 12.000 roebel”, zegt handelaar Vladimir, die onder zijn klanten enkele hoge diplomaten telt. „En die ijshockeyer mag u meenemen voor 18.000 roebel. Dan haalt hij van onder de toonbank een vaas tevoorschijn met de afbeeldingen van een aantal vrouwen en de leuze: ‘Heil aan de vrouwen van de Sovjet-Unie’. „Dit is pas een zeldzaamheid”, zegt hij. „Voor 40.000 roebel (1.000 euro) mag u hem hebben.”

Vladimir kan goed relativeren als het over de Sovjet-Unie gaat. „Sommigen hebben er goede herinneringen aan, maar anderen niet”, zegt hij wijs, zonder iets over zijn eigen mening los te laten. „Maar het huidige systeem is ook niet alles. Vooral de jeugd heeft het tegenwoordig moeilijk. Want vroeger zaten ze bij bewegingen als de pioniers en de Komsomol. Die gaven structuur.”