Mevrouw, asfalt is mijn hobby

Ook in Gelderland is de ov-chipkaart verplicht. Bewoners wordt in een informatiebus uitgelegd hoe het werkt.

VVD-Kamerlid Aptroot praat mee. Al gebruikt hij de chipkaart zelf eigenlijk nooit.

Het lukt hem bijna altijd. Begin met Charlie Aptroot een gesprek over openbaar vervoer en hij komt uit bij zijn favoriete onderwerp: de automobiel. Zo hééft hij bijvoorbeeld een ov-chipkaart. Maar dat pasje ook echt gebruíken? „Ik ben erg aan mijn auto gehecht.”

Zelfs in de oude lijnbus die is omgebouwd tot informatiebus over de ov-chipkaart praat hij liever over de auto. Zoals met een dame die klaagt dat het openbaar vervoer duur is. „Niet altijd”, sputtert een medewerker van vervoersbedrijf Arriva nog tegen. „Als je vijf euro per uur moet betalen voor een parkeerplek in Amsterdam kan je beter met het openbaar vervoer gaan.”

De vrouw: „Dat ligt eraan hoeveel kinderen je hebt. Ik heb er vier.”

Aptroot: „Hahaha, deze mevrouw kan wel rekenen.”

De vrouw: „Ik heb liever wat meer asfalt.”

Aptroot: „Mevrouw, dat is mijn hobby.”

Het Kamerlid was gisteren bij de Halte Voorstraat, te Ochten. De inwoners van het dorp in de Betuwe werden getrakteerd op een bezoek van de zogeheten ov-chipkaart servicebus. Beschilderd met grote roze letters, de bijbehorende roze luifel werd vanwege de harde wind maar niet opgezet. In de omgebouwde bus hielpen werknemers van vervoerbedrijf Arriva bezoekers met hun ov-chipkaart. Hoe vraag ik hem aan? Waarom doet-ie het niet? En als ik met vijf mensen reis, heeft dan echt iedereen een eigen ov-chipkaart nodig?

De bus komt naar Gelderland toe deze zomer. In drie maanden worden honderd dorpen en steden in de provincie aangedaan. Van Afferden tot Zieuwent, van Haaften tot Silvolde. Kosten: ruim een ton, betaald door de provincie. Overdreven? „We zijn nu eenmaal een grote plattelandsprovincie”, zegt een woordvoerster van de provincie. „Veel mensen zijn hier afhankelijk van het openbaar vervoer, dus we willen ze zo laagdrempelig als mogelijk informeren.”

Op de achtergrond speelt een complexer verhaal. De invoering gaat technisch gezien gepaard met kinderziektes maar is inmiddels wel al in acht provincies verplicht. In de praktijk is de ov-chipkaart nogal wennen. Voor vervoersbedrijven, die de onderlinge afstemming verre van geperfectioneerd hebben. Voor reizigers, die soms moeite hebben afscheid te nemen van de strippenkaart. En voor de politiek, die de afgelopen maanden in de Kamer negen debatten voerde over het systeem waar zij in de praktijk weinig over te zeggen heeft – de vervoerder bepaalt.

Desondanks nam Kamerlid Aptroot de uitnodiging van deze krant graag aan. Hij onderbrak er zelfs zijn vakantie voor in zijn tweede huisje in Friesland. Het onderwerp is er belangrijk genoeg voor, zegt hij. En daarnaast was het weer ook maar beroerd. „Ik zat de hele dag met de deuren en de ramen dicht.”

Zo’n twintig mensen zullen de bus in Ochten betreden. Dat valt wat tegen, de provincie rekent op veertig tot vijftig per keer. Soms, zoals eerder bij het provinciehuis in Arnhem, staan er zelfs rijen.

Aptroot, die de kaart een prima systeem vindt voor hen die met het ov reizen, draagt een pak, lange jas, rode stropdas en glimmende schoenen. Hij valt uit de toon tussen de Arriva-medewerkers met hun witte jasjes en de reclameleus – ‘Het moment om in te stappen’ – op de rug. Het duurt even voordat het Kamerlid koffie krijgt: stroom in de bus krijgen wil maar niet lukken, al ligt het gemeentehuis met stroomvoorziening twee meter verderop.

Aptroot probeert gesprekken aan te knopen. Hij keuvelt wat, uiteindelijk met een bekertje koffie in de hand. Twee vriendinnen maken één keer per jaar een reis met de trein en krijgen nu hulp bij het laden van saldo op hun kaart. Vijftig euro wordt het. „Dat wordt flink stappen met zo’n hoog saldo, hahaha”, grapt Aptroot. Een man vertelt met de ov-chipkaart goedkoper uit te zijn dan vroeger. Aptroot: „Gefeliciteerd!” En tegen de journalist: „We hebben er één gevonden. Je hoort altijd alleen maar van mensen die duurder uit zijn.”

De meeste bezoekers van de bus zijn ouder en reizen incidenteel met het openbaar vervoer. Ze zeggen praktisch allemaal „bijna nooit” met het openbaar vervoer te gaan. Of „misschien tien keer per jaar met de bus en nooit met de trein”. Een ander heeft een zoon „die af en toe met de bus moet”.

Het beeld is helder: frequente ov-gebruikers zijn hier niet. Die hebben hun zaakjes zelf allang geregeld, meestal via internet. Aptroot: „Dit is echt de bezemwagen.”

Even later, bij zijn eigen wagen, maakt Aptroot olijk de zwiepende beweging, alsof hij een ov-kaart gebruikt. Hij stapt in: „Hier hoef ik gelukkig niet in te checken. Instappen gaat vanzelf.”