Honger (2)

Afgelopen vrijdagochtend werd ik wakker en tastte meteen – zoals mensen die een high maintenance liefdesrelatie met hun telefoon hebben nu eenmaal doen – als een blinde mol op het nachtkastje naar mijn telefoon. Er was een sms van een vriend: ‘Ai, wel een beetje cru, je column zo naast die hele pagina 3 over honger in Afrika.’

O nee, dacht ik.

Snel haalde ik de krant, sloeg hem open en zag direct wat er bedoeld werd: links mijn column over opborrelend chagrijn tijdens een dalende bloedsuikerspiegel, rechts een uitgebreide behandeling van de verwoestende hongersnood in de Hoorn van Afrika.

Links een weldoorvoede zevenentwintigjarige die vrolijk vertelt hoe ze tot haar volgende broodje falafel tijdelijk verandert in een ongeduldig monster, rechts elf miljoen mensen die op dit moment door de honger veranderen in schimmen. Het leek wel alsof ik expres hongerend Afrika belachelijk maakte, zo grotesk was de tegenstelling.

Met een vaag gevoel van schaamte vroeg ik me zelfs af of ik misschien het afschuwelijke woord ‘trek’ had moeten gebruiken – het probleem was immers al jaren geleden in de standaardvermaning verwoord: „Honger? In Afrika hebben ze honger. Jij hebt trék.”

De hele dag kwamen er reacties, in mijn mail, op Twitter, tijdens gesprekken. En hoewel ik ergens nog steeds wilde dat ik die column een andere dag had geschreven, vond ik het steeds fascinerender worden. Het voorval liet zo goed zien dat we eigenlijk allemaal in een bepaalde mate vrede hebben met het feit dat er verschillende werelden zijn, die naast elkaar bestaan. Tot het moment dat het ergens overlapt, het moment dat de werelden elkaar op een onfortuinlijke manier kruisen.

Als ik op een andere dag had geschreven over mijn kribbige hongerhumeur, geflankeerd door een pagina over de tanende pensioenfondsen, was er waarschijnlijk niemand geweest die had geroepen: „Hee verwend prinsesje, en Afrika dan? Dáár hebben ze pas honger!” Terwijl dat net zo goed waar was geweest – in verschillende delen van Afrika heerst er de afgelopen decennia al honger.

Pas als de werelden in één beeld samenkomen, voel je de frictie. Met smaak een biefstuk eten terwijl op de muren filmpjes uit de bio-industrie geprojecteerd worden, zal maar weinig mensen lukken. Of dat ene goedkope bloemetjesjurkje aanschaffen, wanneer je op het prijskaartje leest hoe het door vlijtige, vijfjarige handjes in elkaar gezet is. Een mechanisme dat naast hypocrisie ook iets weg heeft van zelfbescherming: het is onmogelijk alle werelden samen te laten vallen.

De reacties, net als mijn gevoel van schaamte, gingen dan ook niet over de vraag of luxeproblemen mogen bestaan naast echte problemen, ze gingen louter over gênante timing.

Renske de Greef