Hoge masten voor hoge freqenties

Vijf zendtorens waaronder Lopik en Smilde moesten Nederland voorzien van storingsvrije ontvangst van radio en televisie. Later kwamen er steunzenders bij.

Nederland - Hoogersmilde - Drenthe - 16 juli 2011 De brand die de tv-toren het zwijgen heeft opgelegd. Er wordt druk gewerkt aan een noodmast enkele honderden meters van verwoeste toren hier op de achtergrond. Foto: Sake Elzinga

De zendmasten die vrijdag vrijwel gelijktijdig uitgeschakeld werden, zijn ongeveer een halve eeuw oud. Halverwege de jaren vijftig had de Nederlandse regering in de ‘televisienota’ van staatssecretaris Jo Cals besloten televisietorens te bouwen. Daarmee moest Nederland toegang krijgen tot het nieuwe medium televisie. Er kwamen vijf torens: in Lopik, Goes, Roermond, Markelo en Smilde. Die werden, na een indrukwekkend korte bouwtijd, rond 1960 in gebruik genomen.

De torens kregen een betonnen onderstel van een meter of honderd met daarop een stalen mast nog honderden meters hoger reikte. Ze zouden niet alleen televisiesignalen doorgeven, maar ook FM-radiosignalen verspreiden.

Tot dat moment ontvingen de meeste Nederlanders, voorzover ze geen ‘draadomroep’ gebruikten (een vorm van radiodistributie door middel van speciale kabels) de radiosignalen van Hilversum 1 en Hilversum 2 op de zogenoemde ‘middengolf’ in AM. Op de radio te vinden op een golflengte van 300 en 400 meter.

AM staat voor amplitude-modulatie. Dit is één van de twee manieren waarop aan een elektromagnetische golf van constante golfhoogte en -lengte (de zogeheten draaggolf) informatie kan worden meegegeven. Bij amplitude-modulatie gebeurt dat door amplitude (de golfhoogte) voortdurend te laten veranderen.

Technisch onderzoek had in de jaren vijftig duidelijk gemaakt dat een andere vorm van modulatie, de zogenoemde frequentie-modulatie, in de praktijk betere ontvangst opleverde. Een ontvangst die minder gevoelig was voor storing van onweer en andere elektrische ontladingen, zoals automotoren en stofzuigers.

Bij FM wordt niet de golfhoogte maar de golflengte van de draaggolf gevarieerd. Dat principe was rond 1935 uitgewerkt door de Amerikaan Edwin Armstrong.

Het woord frequentie geeft aan hoeveel trillingen er per seconde worden opgewekt, hoe hoger de frequentie hoe korter de golflengte. Tegenwoordig karakteriseert men golven liever met hun frequentie dan hun golflengte.

Omdat voor FM gevarieerd wordt met die frequentie, moet er veel afstand bestaan tussen radiostations. Om de verschillende signalen van elkaar te kunnen onderscheiden moet bij gebruik van FM noodgedwongen gebruik worden gemaakt van heel hoge frequenties, aangeduid met VHF en UHF: very high frequency en ultra high frequency.

Het waren die hoge frequenties die de zendmasten nodig maakten. Want VHF- en UHF signalen gedragen zich in de atmosfeer heel anders dan middengolfsignalen. Die laatste volgen de kromming van de aarde, weerkaatsen tegen bepaalde lagen van de atmosfeer en kunnen in principe, afhankelijk van de sterkte van het signaal, elk punt op aarde bereiken. Zo had Nederland voor de oorlog vanuit Kootwijk rechtstreeks verbinding met Indië. VHF- en UHF-signalen van de FM gedragen zich als lichtstralen. Ze bereiken bij wijze van spreken alleen de luisteraar die vanaf zijn ontvangstantenne de zendantenne kan zien. Het bereik van een UHF-antenne is eenvoudig te berekenen, bij een hoogte van 100 meter is het 35 kilometer, bij een hoogte van 300 meter is het ruim 60 kilometer.

Hoewel televisie in Nederland in toenemende mate via ‘de kabel’ verspreid werd, bleken de vijf eerste torens niet in staat het hele land altijd van storingsvrije ontvangst te voorzien. Vandaar dat later een groot aantal steunzenders en andere ‘opstelpunten’ is neergezet. De uitbreiding werd ook nodig omdat over het netwerk in de loop van de decennia veel meer communicatie ging lopen dan alleen radio en televisie. Na 2007 werden bovendien ingrijpende aanpassingen nodig, toen radiosignalen voortaan digitaal verspreid werden.