De tien tijdvakken van De Rooy zijn slecht te toetsen

Piet de Rooy c.s. wil zijn tien tijdvakken centraal toetsen. Zo’n examen zal het niveau van de geschiedeniskennis juist verlagen, betoogt

Maria Grever c.s.

In NRC Handelsblad van 12 juli smeekt emeritus hoogleraar geschiedenis Piet de Rooy c.s. om een politieke interventie in een „stammenstrijd”. Voor de goede orde: dit gaat niet om vijandigheden in voormalig koloniaal gebied of om ideologisch inhoudelijke verschillen tussen historici. Dit gaat om een discussie over de toetsbaarheid van het centraal examen geschiedenis voor de bovenbouw van havo en vwo.

De actie van de auteurs is opmerkelijk. De discussie die ze beginnen, is zojuist afgerond. Het stelsel van de tien tijdvakken – hun geesteskind – is geen zachte dood gestorven, integendeel. Dat stelsel wordt de basis van het centraal examen geschiedenis, alleen op aangepaste wijze. Waarom suggereren de auteurs het bestaan een heuse history war?

In 2001 presenteerde de Commissie Historische en Maatschappelijke Vorming onder leiding van De Rooy het rapport Verleden, heden en toekomst. Leerlingen zouden geschiedenis meer moeten leren in chronologische volgorde, met behulp van een indeling in tien – zelfgemaakte – tijdvakken. Daardoor zouden zij de grote lijnen in de geschiedenis beter onthouden. Er was wel een probleem. Niemand wist of dit programma zou werken in de klas en of het schriftelijk toetsbaar was op landelijk niveau. Op havo en vwo maken jaarlijks circa zestigduizend leerlingen het geschiedenisexamen.

De Rooy c.s. stelt dat zijn rapport destijds in alle opzichten positief werd ontvangen. Dat is niet zo. Academische historici en vooral eerstegraadsleraren – degenen die hun leerlingen voorbereiden op de examens – hebben destijds ook zeer kritisch gereageerd, niet omdat ze graag onderdeel zijn van een stammenstrijd, maar simpelweg op basis van expertise in hun vak.

De auteurs roepen een karikaturaal beeld op over wat leerlingen tegenwoordig nog leren over geschiedenis. Het gaat inhoudelijk om veel meer dan slechts twee onderwerpen in een centraal examen.

Het examenonderwijs in geschiedenis voor de bovenbouw van havo en vwo bestaat uit enkele schoolexamens en een centraal examen. De schoolexamens maken de helft van het eindcijfer uit. Leerlingen van vijftien tot achttien jaar moeten zich een breed scala aan historische leerstof eigen maken. Dat was al zo vóór 2007, toen de tien tijdvakken werden ingevoerd, en dat is nog steeds zo. Kennelijk hebben de auteurs weinig vertrouwen in de kwaliteit van de schoolexamens van eerstegraadsleraren. Ook onjuist zijn hun typeringen van de bestaande examinering als slechts „reproductie” van feitjes.

De auteurs negeren vooral het probleem dat het ongewijzigd invoeren van centrale toetsing met de tien tijdvakken het kennisniveau en het niveau van het denken over geschiedenis zal verlagen. Dat komt doordat de tijdvakken geen enkele concrete historische gebeurtenis of persoon noemen als verplichte leerstof. Ze zijn ‘gevuld’ met oriëntatiekennis. dat wil zeggen, met 49 abstracte ‘kenmerkende aspecten’.

Voorbeelden van een kenmerkend aspect zijn: ‘de democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondrechten, grondwetten en staatsburgerschap’ uit het tijdvak ‘Tijd van pruiken en revoluties’ (achttiende eeuw) en – inmiddels berucht – ‘het voeren van twee wereldoorlogen’ uit het tijdvak ‘Tijd van de wereldoorlogen’ (de eerste helft van de twintigste eeuw). Daar is niets concreets aan, zoals ‘Willem van Oranje’, ‘de grondwetsherziening van 1848’, ‘Wilhelmina Drucker’ of ‘Adolf Hitler’. De opstellers van het rapport zijn dus zelf verantwoordelijk voor toetsingsproblemen.

Toetsinstituut Cito en de Vereniging van docenten in geschiedenis en staatsinrichting in Nederland hebben de problemen opgelost. De tijdvakken hebben ze behouden als uitgangspunt. Ze hebben voorgesteld om enkele samenhangende kenmerkende aspecten inhoudelijker uit te werken. Zo wordt schriftelijke toetsing op landelijk niveau mogelijk.

Wellicht vinden de auteurs dit een aantasting van hun oorspronkelijke idee, maar van stenen kun je nu eenmaal geen brood bakken. Wij zien twee oplossingen. Ofwel de overzichtskennis wordt niet in het centraal examen getoetst, maar in het schoolexamen; ofwel de kennis wordt wel getoetst in het centraal examen, maar dan met de inhoudelijke uitwerking van de kenmerkende aspecten. Dan worden de toetsenmakers niet meer gedwongen om veel feiten en informatie gratis weg te geven, omdat leerlingen formeel niets hoeven te kennen.

Toetsing draait om validiteit, betrouwbaarheid en aanvaardbaarheid. De auteurs vinden dat kennelijk jammer, maar de kwaliteit van de centrale toetsing over het geschiedenisonderwijs voor havo- en vwo-leerlingen moet toch zwaarder wegen.

Het is onverstandig dat De Rooy c.s. het kabinet oproept om te interveniëren bij een praktisch opgeloste kwestie. Moet de overheid ook als scheidsrechter optreden om vast te stellen wat wel en niet toetsbaar is?

Prof.dr. Maria Grever, dr. Stephan Klein en prof.dr. Carla van Boxtel verrichten onderzoek naar geschiedenisonderwijs. Ze zijn verbonden aan het Centrum voor Historische Cultuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam.