'Allez Voeckler' klinkt het uit vele Franse kelen

Het geloof in een Tourzege van Thomas Voeckler groeit. Hij is de Franse held na zijn gele trui in de Pyreneeën met een leeuwenhart te hebben verdedigd. „Bravo Thomas!”

Twee uur voor de start geeft Jean-René Bernaudeau zijn eerste interview in een lange reeks, in het Village Départ in Limoux. Dan begint de sportdirecteur van Europcar aan een triomftocht van een paar honderd meter naar de teambus. Hand hier, schouderklopje daar. „Allez Voeckler”, schreeuwt iemand. Bernaudeau glimlacht, met onverholen trots. Hier heeft hij elf jaar op moeten wachten.

Zijn kopman Thomas Voeckler (32) maakt de Fransen gek van enthousiasme, sinds hij ook na de zware bergrit naar Plateau de Beille ogenschijnlijk moeiteloos de gele leiderstrui behield. „Het geel naar Parijs”, roepen wielerfans achter het hek. Sinds het wonder in de Pyreneeën durven de Fransen die hoop weer hardop uit te spreken. Een Fransman kan de Tour winnen. Waarom niet? „Voeckler is zeker zo sterk als de andere favorieten en misschien wel sterker”, zei oud-renner Laurent Jalabert na de bergrit voor de Franse televisie. „Het podium is zeker mogelijk, want ze rijden hem er gewoon niet af. Bravo Thomas!”

Richard Virenque was in 1997 de laatste Fransman op het Tourpodium, tweede achter Jan Ullrich. Na jaren van kommer en kwel lijkt nu een talentvolle lichting op te staan. „Binnen vijf jaar wint een Franse renner de Tour”, voorspelde oud-renner en bondscoach Charly Mottet zaterdag. Dat leek een gedurfde stelling. Maar nu kan het binnen zes dagen. Dat gelooft zelfs Lance Armstrong. „Voeckler kan de Tour winnen”, twitterde The Boss, die morgen zelf in de Tour komt kijken.

In 1985 behaalde Bernard Hinault zijn laatste van vijf Tourzeges. Daarna zegevierde nooit meer een Fransman. Bernaudeau, winnaar van de witte trui als beste jongere in de Tour van 1979, maakte de glorietijd ten volle mee. In 1983 werd hij door Peter Winnen op het nippertje verslagen in een sprint-à-deux op Alpe d’Huez. „Bernaudeau was een van de weinige Fransen met wie je kon praten”, zegt generatiegenoot Theo de Rooy, een paar dagen op bezoek in de Tour. „We zijn samen nog de Tourmalet opgereden, hij ‘op de 19’ en ik ‘op de 23’. Hij trapte een enorm grote versnelling. Dappere kerel, één brok dynamiet, diep gebronsde huid. Hij kon geweldig vallen. Als het asfalt smolt en het grind vloog om je oren, dan was Bernaudeau op z’n best. Courage, in dat opzicht leek hij wel op Voeckler.”

Als ploegleider kwam Bernaudeau met sponsors als Bonjour, Brioches la Boulangère en Bouygues Télecom jarenlang niet verder dan een marginale rol. In het tijdperk Armstrong, die zeven keer won, raakten de Fransen de weg kwijt in hun eigen ronde. „Cyclisme a deux vitesses”, luidde hun veelgehoorde verklaring. De buitenlandse renners gebruikten dope en zij niet. In de Tour van 2007 beklaagde Berneaudeau zich nog eens over de passieve houding van de internationale wielerunie, die teams met dopegebruikers niet hard genoeg strafte.

Uitgerekend dit jaar, met de Tourstart in de Vendée, dreigde zijn in deze regio gevestigde ploeg geen sponsor meer te vinden. Tot Europcar in oktober 2010 alsnog toehapte. Met dank aan Voeckler, die na tien seizoenen samenwerking vertrouwen hield in Bernaudeau en niet inging op aanbiedingen. „Hij is onze leider, de kapitein in het hart van het systeem-Bernaudeau”, loofde de manager zijn kopman al vóór de Tour in het blad Planète Cyclisme.

Voeckler, in 2004 al eens geletruidrager en achttiende in het eindklassement, maar bij zijn zeven overige deelnames nooit bij de beste zestig, sloeg zijn slag deze Tour in de tumultueuze negende rit naar Saint-Flour. Het peloton hield minutenlang de benen stil na een zware valpartij van onder anderen Jurgen Van den Broeck en Aleksandr Vinokoerov. De koplopers, onder wie Johnny Hoogerland, konden verder uitlopen. Je zag Bernaudeau ijsberen aan de finish, de blik strak op het scherm. Geen oog voor Hoogerland in het prikkeldraad, alleen voor eindstreep en klok. Met een oerkreet en gebalde vuist vierde hij het geel van Voeckler.

„Waar zijn limieten liggen in de Tour weet ik niet”, deed Bernaudeau (55) in juni een straffe voorspelling. „Hij heeft geen beperkingen. C’est Voeckler!” De aanvaller pur sang, bijgenaamd Titi, wordt door zijn collega’s in de ‘lage landen’ wel eens meewarig bekeken. Altijd aandacht trekken, desnoods ten koste van anderen. De uitslover. Maar wat een goede renner ook, zeker dit seizoen. Acht zeges, vóór de Tour bergop verrassend met de besten mee in de Dauphiné Libéré. „Jammer dat Voeckler toneel speelde en niet meereed, anders hadden we voor de ritzege gestreden”, zei Robert Gesink daar.

Niet alleen Voeckler rijdt goed deze Tour, de hele groene brigade van Europcar valt op. Christophe Kern, ook al sterk bergop in de Dauphiné, viel met een knieblessure uit. Maar zijn rol wordt zonder probleem overgenomen door de 24-jarige Pierre Rolland. Net als Voeckler maakte deze met een grote versnelling rijdende klimmer indruk op Luz-Ardiden en Plateau de Beille. „Ik ben tot op de bodem gegaan”, hijgde hij zaterdag op de top. „Het geel is ons eerste doel, misschien lukt het mij ook nog om de witte trui te pakken.”

Veertiende staat kroonprins Rolland nu, op 9.20 minuut van koning Voeckler en slechts 1.25 van beste jongere Rigoberto Uran. Voor Bernaudeau kan de Tour sowieso niet meer kapot. Europcar is als de ploeg van Armstrong in zijn beste jaren. Twee gendarmes bij de teambus om de drukte te reguleren, volop belangrijke gasten en enthousiaste fans. Zie de glimmende ogen van tien rennertjes van de plaatselijke wielerclub in hun shirts met Aude Pays Cathare Limoux, die wachten op een glimp van idolen Voeckler en Rolland. Frankrijk heeft zijn Tour terug.