Val Arabische schurken kleine stap

De belofte van de Arabische lente is niet uitgekomen. De Golfstaten kochten het protest af, in Libië, Syrië en Jemen heerst een impasse,

en in Egypte en Tunesië gaan betogers weer de straat op.

Tunesië en Egypte gelden als de romantische verhalen-met-een-goed-einde van de ‘Arabische lente’. De opstanden waren bloedig, maar de schurken dolven het onderspit. Ze vormden de inspiratie voor miljoenen ontevreden mensen in andere Arabische landen om in opstand te komen tegen hun corrupte, onbekwame, autocratische regimes.

In de Arabische Golfstaten werd de campagne voor democratische hervormingen in Bahrein hard neergeslagen. Saoedi-Arabië en de andere Golfstaten gebruiken tot dusverre met succes hun olierijkdommen om protest af te kopen. In dit licht moet ook een recente Saoedische schenking van 400 miljoen dollar aan de Jordaanse koning worden gezien. De strijd in Libië, in Syrië en Jemen, waar wél honderdduizenden de straat opgingen om hun leiders ten val te brengen, gaat door, maar zit duizenden doden later min of meer in een impasse.

En nu de lente voorbij is en het zomer is geworden zijn ook in Tunesië en Egypte de demonstranten weer terug op straat. Na de ‘Vrijdag van Volharding’ van vorige week met honderdduizenden betogers, was het gisteren in Egypte de ‘Vrijdag van de Laatste Waarschuwing’ aan de militaire leiders die in februari president Hosni Mubarak opvolgden. Snellere hervormingen, eisten opnieuw tienduizenden betogers en een snellere berechting van iedereen die te maken had met de dood van burgers tijdens de opstand. En anders, zo klonk gisteren dreigend: „Weg met de militairen!”

In Tunis heeft de desillusie eveneens ingezet. Gisteren gebruikte de Tunesische politie weer traangas om demonstranten te verspreiden. Net als in Egypte verwoordden de betogers uiteenlopende eisen: ontslag van aanhangers van de vroegere sterke man Ben Ali, berechting van de mensen die schuldig zijn aan het geweld tijdens de opstand, werkelijke persvrijheid.

„Het verrotte en corrupte systeem bestaat nog steeds”, schreef Lina Ben Mhenni vorige week op haar blog atunisiangirl, dat destijds de Tunesische opstand nauwgezet volgde. Volgens haar zijn er veel tekenen van achteruitgang; er zijn „veel slechte eigenschappen weer opgedoken”.

Het grote probleem op de achtergrond, zowel in Egypte als in Tunesië, is het ineenstorten van de economie als gevolg van de opstand. Voor een ruime meerderheid van de bevolking van Egypte was blijkens een opiniepeiling in april hun slechte economische situatie hun belangrijkste probleem met het regime. Democratie wordt belangrijk als je voldoende te eten en een behoorlijke woning hebt.

Als in Libië Gaddafi’s regime valt, zal de economische weerslag niet zo groot zijn. Libië is een rijk olieland en westerse investeerders staan te springen om terug te keren. Maar Tunesië en Egypte – en hetzelfde geldt straks voor Syrië als de strijd is beslist – hebben geen olie, buitenlandse investeerders twijfelen en de toeristen, een belangrijke bron van inkomsten, komen maar niet terug.

Dat maakt de mensen onrustig. De Tunesische premier, Béji Caïd Essebsi, schilderde deze week een zeer somber beeld van de Tunesische situatie. De economie is inmiddels officieel in recessie. Bij zijn aantreden trof hij 700.000 werklozen (ongeveer 14 procent van de beroepsbevolking). Kredietbeoordelaar Moody’s beschouwt de economische vooruitzichten als slecht.

En dan ook nog de sociale onrust, zuchtte Essebsi woensdag in een toespraak in het parlement. „Zitdemonstraties en herhaalde stakingen hebben verscheidene bedrijven die van belang zijn voor het land stilgelegd”, zei hij. „We doen onze best maar we hebben geen toverstaf!”

De ontwikkelingen in Tunesië en Egypte voorspellen weinig goeds voor de niet-olielanden waar het leiderschap in het nauw wordt gedreven. Volgens oppositiebronnen raakt het Syrische regime verder in de verdrukking, nu gisteren weer meer betogers de val van president Assad eisten. Meer dan een miljoen, meldden deze bronnen – maar daarvan is geen onafhankelijke bevestiging.

Hoe dan ook is moeilijk te zien hoe Assads regime nog kan overleven. „Als ze niet echt gaan hervormen, zal de straat zal hen wegwassen”, zei de Amerikaanse ambassadeur Robert Ford gisteren. Zelfs als ze hervormen, is het waarschijnlijk al te laat.

Maar na Assad dreigen in Syrië nog grotere problemen dan nu in Tunesië en Egypte: er wordt al gespeculeerd over oorlog tussen de sunnitische meerderheid en de alawitische minderheid waaruit het regime voortkomt, en de vlucht van de christenen. Het ten val brengen van de schurken blijkt maar een klein stapje te zijn geweest op weg naar een betere toekomst.