Turken en Europeanen geloven niet in EU

Turkije hoeft niet meer op te kijken naar de EU en doet het beter dan Griekenland. Waarom nog werken in Europa? Toch heeft lidmaatschap EU zin, schrijft Ian Buruma.

Een meerderheid van de Europeanen vindt dat Turkije geen lid mag worden van de EU. Meer dan 60 procent van de burgers in Frankrijk en Duitsland is tegen het Turkse lidmaatschap. De redenen voor deze afwijzende houding lopen uiteen. Niet alle argumenten zijn onredelijk: Turkije is te groot; Turkse emigranten zouden ons overspoelen; Turkije houdt zich onvoldoende aan mensenrechten; Turkije onderdrukt de Koerden; Turkije heeft zijn geschil met Griekenland over Cyprus nog steeds niet opgelost.

Maar het belangrijkste bezwaar lijkt toch te zijn dat Turkije een islamitisch land is en wordt geregeerd door een islamitische partij. In de woorden van Valéry Giscard d’Estaing, voormalig president van Frankrijk en een van de auteurs van de onleesbare Europese Grondwet: „Turkije is geen Europees land.”

Die uitspraak is moeilijk te verkroppen voor leden van de seculiere, westersgezinde Turkse elite, die al decennia heeft gepoogd haar Europese gezindheid te bewijzen. Een van hen, een man die zijn leven lang voor een internationale organisatie heeft gewerkt, bracht dit als volgt onder woorden (na meer dan één glas raki): „We spelen voetbal in Europa, we zingen mee in het Eurovisiesongfestival, we doen zaken met Europa, we hebben onze mensenrechten verbeterd, onze politiek gedemocratiseerd... Kortom, we doen alles wat ze willen, en nog krijgen we het lid op de neus.”

Een Turkse die dit hoorde, een vrouw die zich jarenlang voor mensenrechten heeft ingezet, viel hem bij, in perfect Engels (zij spreekt ook Frans): „Zo is het. Ik haat Europa. Ik voel me niet eens meer Europees. Bovendien hebben we de EU helemaal niet meer nodig.”

Hier zit iets in. Terwijl de EU in haar voegen kraakt door de Griekse crisis, floreert de Turkse economie als nooit tevoren. Het is nog maar de vraag of zoveel Turken nog behoefte hebben werk te zoeken in Europa, dus met dat ‘overspoelen’ zal het waarschijnlijk wel meevallen.

Nu is het waar dat ‘Europa’ altijd stond voor meer dan alleen materiële welvaart: democratie, de open samenleving, burgerrechten, en zo meer. Turkije heeft al veel baat gehad van zijn ambitie om aan Europese eisen te voldoen. Er schort nog wel wat aan Turkije, wat openheid en mensenrechten betreft. Maar hetzelfde geldt voor landen die al wel zijn toegelaten tot de Europese club, zoals Bulgarije, Roemenië, en Hongarije.

Terwijl de gefrustreerde Turkse liberalen zich afvragen wat zij nog meer kunnen doen om te worden geaccepteerd, keren steeds meer Europeanen zich af van de EU. Van de oude democratische idealen is niet veel meer over. Brussel wordt nu steeds meer geassocieerd met een arrogant paternalistisch mandarijnendom, dat de Europeanen overstelpt met regels en wetten zonder veel belangstelling te tonen voor wat de burgers zelf eigenlijk beweegt.

Als de Europeanen zelf nauwelijks meer geloven in de zegeningen van de EU, waarom zouden de Turken er dan nog bij willen horen?

Het antwoord is anders dan men zou verwachten: de vrouw die beweerde Europa te haten, zou in feite dolgraag bij de EU willen horen. Haar woede was die van een verstoten minnares. En dat geldt niet alleen voor haar.

De pro-Europese, seculiere elite, waartoe zij behoort, voelt zich nu van twee kanten belaagd: afgewezen door Europa, en tegelijkertijd uit haar bevoorrechte positie gewipt door een nieuwe Turkse elite, die provincialer is, geloviger, daarentegen niet minder democratisch, maar wel minder liberaal, in de zin van vrijzinnig. De vertegenwoordiger van die nieuwe elite is de razend populaire premier Recep Tayyip Erdogan.

Voor de westersgezinde seculieren is de EU een soort reddingslijn in de stroom van Erdogans islamitisch populisme. Zonder de EU zal het moeilijker worden om het liberale element in de Turkse democratie te versterken. Overigens is die liberale elite niet de enige groep die wint door lidmaatschap van de EU. Minderheden doen het vaak goed in een imperium, vooral een verlicht imperium zoals de EU. Net als de Catalanen en de Schotten zijn veel Turkse Koerden erg voor de EU, opdat de Turkse meerderheid niet al te overheersend wordt.

Nu is de trots om tot Europa te worden toegelaten, vooral voor de oude elite, misschien minder belangrijk dan de vernedering van een eventuele afwijzing. Maar dit geldt in zekere zin ook voor de Europeanen. Als het grootste, modernste, meest democratische land met een overwegend islamitische bevolking, die bovendien voor een deel stamt uit Europa, zich verbitterd afwendt van het Westen, dan is dit vast niet in het voordeel van Europa.

Turkije bevindt zich in een goede positie om andere islamitische landen in een meer liberaal democratische richting te sturen. Met een redelijk vooruitzicht op Europees lidmaatschap zou Turkije ook beter in staat zijn spanningen tussen Europa en het Midden-Oosten op te lossen. Zonder Turkije als lid wordt elke Europese inmenging gemakkelijker geïnterpreteerd als weer een voorbeeld van westers imperialisme.

Met Turkije erbij raken we in Europa ook sneller af van de notie dat Europa gelijkstaat aan het christendom. Christelijke religies hebben zonder meer bijgedragen aan de ontwikkeling van de Europese beschaving, maar steeds minder Europeanen hangen nog een christelijke godsdienst aan. Veel Europeanen zijn niet eens formeel christenen. De acceptatie van een seculiere democratie met een islamitische meerderheid als lid van de EU, zou het wellicht ook gemakkelijker maken om Nederlanders, Duitsers, Britten of Fransen met islamitische afkomst te accepteren als volwaardige Europese burgers.

Dit is een goed ding als je meent dat de EU een basis moet hebben in gemeenschappelijke belangen en democratische instituties. Zij die daarentegen vinden dat een Europese gemeenschap voornamelijk moet rusten op cultuur en geloof – een positie die niet alleen de paus aanspreekt, maar vooral met veel vuur wordt verdedigd door kampioenen van de Verlichting, alsof de Verlichting een quasichristelijk geloof zou zijn – zouden zich hier moeilijker mee kunnen verenigen.

Nu is dit alles in het huidige politieke klimaat nogal theoretisch, want de kans dat Turkije lid wordt van de EU lijkt miniem. Men kan de meerderheid hier niet toe dwingen. Om dit tegen de wil van de meeste burgers door te drukken zou juist een voorbeeld zijn van het ondemocratische paternalisme waar de EU nu zo’n slechte reputatie door heeft gekregen.

Maar de meerderheid heeft niet altijd gelijk. En de tijden kunnen keren. Helaas komen zulke kenteringen weleens te laat.

Ian Buruma is schrijver, en professor in Bard college, New York. Zijn laatste boek is ‘God op zijn plaats’.