Nee, want wie vertrouwt er nou nog op de Grieken...

En dan krijgen we er de mark voor in de plaats.

Het begon allemaal met één Amsterdamse sigarenboer in het toeristische centrum van de stad. Klaas Menternich, een winkelier met een gezond wantrouwen jegens de Europese politiek, hing op de ochtend van 1 september 2011 een lijst met wisselkoersen achter zijn toonbank. Van de eerste letter van het serienummer van elk bankbiljet, wist Menternich, kon worden afgeleid uit welk euroland het oorspronkelijk kwam. En omdat hij ervan uitging dat de euro spoedig uit elkaar zou vallen – en eerlijk gezegd ook omdat hij een punt wilde maken – dichtte hij elk euroland een eigen wisselkoers toe.

Nederlandse biljetten (P) gaf hij een koers van 1 euro, evenals Duitse, Finse en Oostenrijke biljetten. Belgische (Z) en Franse (U) euro’s accepteerde hij voor 90 (Nederlandse) eurocent. Spaanse euro’s waren bij Menternich 50 eurocent waard, zodat er nu tien nodig waren om een pakje Marlboro van 5 euro te kopen. Zo ging de lijst door, tot en met de Griekse euro, die hij alleen innam voor 30 eurocent.

Het duurde niet lang voordat de plaatselijke krant een reportage maakte, met grote foto. Daarna was er geen houden meer aan. RTL, de NOS, de BBC en CNN, allemaal kwamen ze met cameraploegen over de vloer. Meer winkeliers volgden Menternichs voorbeeld, totdat ook de burgers onderling goed begonnen op te letten welk wisselgeld zij terugkregen. Sommigen togen zelfs naar hun bank om hun verdachte eurobiljetten in te wisselen tegen biljetten met de veilige beginletters P, L, N of X – Nederland, Finland, Oostenrijk en Duitsland.

Menternichs wisselkoersen, op zijn best een ruwe schatting, deden er allang niet meer toe. Geld met de verkeerde beginletter werd nu simpelweg geweigerd. En niet alleen meer in Nederland.

En zo, waar de Arabische lente van dat jaar begon bij een Tunesische groentenverkoper, begon de eurocrisis met een Amsterdamse sigarenboer. De afkeer van het noordelijke publiek in Europa van een oplossing die hun op de korte termijn geld zou kosten, leidde tot een nog veel hogere rekening nu de wens de euro dan maar op te breken in vervulling ging. Zoals een team van economen van ING een jaar eerder al had voorspeld, leidde het uiteenvallen van de euro tot een enorme recessie, waar de kredietcrisis van 2008 bij in het niet viel. In de zuidelijke landen daalde het bruto binnenlands product in totaal met 15 procent, in het noorden met 10 procent. Het dichte web van het banksector moest uit elkaar worden getrokken, het betalingsverkeer viel lange tijd nagenoeg stil, terwijl de nationale overheden noodmaatregelen troffen. De Nederlandse handel met de andere eurolanden viel door betalingsproblemen kortstondig weg en beleggings- en pensioenfondsen leden hevige verliezen op beleggingen in het zuiden.

De reparatiewerkzaamheden lieten niet lang op zich wachten. Maar waar de Nederlandse regering er zonder meer vanuit was gegaan dat het land zich probleemloos bij Duitsland, Finland en Oostenrijk kon aansluiten om een noordelijke euro te vormen, had de regering-Merkel bedenkingen. De fout, redeneerde Berlijn, was geweest dat Europa een monetaire unie was begonnen zonder politieke unie. Dat moest voortaan anders. Andere landen mochten zich bij Duitsland aansluiten, maar alleen op voorwaarde dat zij een nieuwe en betere architectuur van de noordelijke muntunie zouden accepteren.

Waar de nationale soevereiniteit voor de regering-Rutte aanleiding was geweest om af te zien van grootscheepse steun aan het zuiden, en de bijbehorende overdracht van bevoegdheden aan Brussel, moest zij nu een nog veel grotere afhankelijkheid accepteren. Want in de nieuwe muntunie was de economie van Duitsland 2,5 maal zo groot als die van Nederland, Oostenrijk en Finland bij elkaar. Nederland was welkom, maar dan wel onder Duitse voorwaarden. Den Haag had geen keus gehad in de luttele dagen die voor de besluitvorming beschikbaar waren.

De Finnen waren daarna met een idee gekomen voor de naam van de munt: de mark – die hadden ze vroeger zelf ook. Berlijn kon zich hier helemaal in vinden. En toen bondskanselier Merkel aan premier Rutte meedeelde dat de nieuwe munt naar hem persoonlijk werd vernoemd, was Den Haag snel om. En minister De Jager ? Die werd nog gesignaleerd in de straten van Berlijn, toen hij zich, als kersverse staatssecretaris namens Nederland, begaf naar zijn stille werkkamer op het Duitse ministerie van Financiën.