Na bankiers en politici liggen nu journalisten onder de loep

Britse politici willen meer controle op de pers. En een columnist zegt: ‘We hebben te lang onze vakgeheimen voor ons gehouden.’

Terwijl de volle omvang van het afluisterschandaal nog niet bekend is en het politieonderzoek nog in volle gang, klinkt onder politici steeds luider de roep om concrete maatregelen om het Verenigd Koninkrijk in de toekomst voor News-of- the-World-praktijken te behoeden.

Om wangedrag aan banden te leggen, bestudeert de Britse regering de mogelijkheid van een strengere gedragscode voor journalisten. „Vrijheid” en „pluraliteit”, maar ook „verantwoordelijkheid” zijn volgens vicepremier Nick Clegg daarbij de kernwaarden. De huidige gedragscode, waarvan de naleving door de zelfregulerende Press Complaints Commission in de gaten wordt gehouden, vindt men te vrijblijvend.

De media zouden hiermee het derde belangrijke onderdeel van het Britse establishment zijn dat na grote ophef wordt onderworpen aan scherper publiek toezicht. Eerst waren de bankiers aan de beurt. Toen politici. En nu journalisten. Want zoals de bankwereld in 2008 werd beschadigd door roekeloos gedrag in de City en de politiek werd bezoedeld door het declaratieschandaal van 2009, ligt nu de journalistiek onder vuur.

„Het is het laatste fenomeen in een proces dat al langere tijd bezig is”, zegt David Aaronovitch, columnist van The Times. „Vrijwel alle instituties van de gevestigde orde zijn onder nauwkeurig toezicht gekomen.”

Lang opereerden die instituties zonder dat ‘het volk’ zich daarbij al te veel vragen stelde. Dat is nu veranderd, constateert Aaronovitch: men wil weten hoe instellingen waaraan zij hun vertrouwen schenken, opereren. „We hebben te lang onze vakgeheimen voor onszelf gehouden, net als de politie en de ambtenarij.”

Het gevaar bestaat nu dat de politiek, als gevolg van de publieke walging, excessieve mediaregulering voorstelt, zeggen journalisten. Zonder lekken was het afluisterschandaal niet naar buiten gekomen. Zonder illegaal verkregen documenten was er geen onthulling over de declaraties van parlementsleden geweest. The Guardian, die vrijwel als enige bleef schrijven over het afluisteren, schreef in zijn commentaar: „Goede journalistiek is niet hetzelfde als journalistiek die diegenen met macht tevreden houdt. Integendeel.” Bovendien was gebrek aan regulering niet de oorzaak van het afluisterschandaal: hacken is altijd illegaal. Dat het zo ver kon komen, heeft volgens Aaronovitch vooral te maken met een gebrek aan ethiek. „Ik denk dat sommige journalisten dingen doen die ze thuis niet eens zouden durven vertellen.”

Voorbeelden van afluisteren zijn er genoeg. Zoals de telefoonberichten uit 1989 waarop te horen was hoe prins Charles in de broek van zijn toenmalige minnares Camilla wilde wonen, of de minder ranzige conversatie tussen Diana en haar minnaar. En de Britten smulden van de onthullingen. Dat er toen geen wettelijk bindende gedragscode voor de media kwam, kwam doordat bekend werd dat Diana en Charles zelf de pers bleken in te lichten.

Aaronovitch ziet een positief gevolg van het schandaal: „Ik denk dat er een soort mediaslimheid ontstaat, die noodzakelijk is omdat mensen tegenwoordig omringd zijn door een overvloed aan informatie. Ik hoop dat mensen het verschil leren maken tussen goede en slechte bronnen, tussen goede en slechte verslaggeving, en goede en slechte journalistiek.”