Kaapse pracht

Hard, romantisch, exotisch. Elke wereldstad heeft haar eigen imago. NRC Handelsblad gaat deze zomer op zoek naar de werkelijkheid achter het cliché van de wereldstad. Deze week: Kaapstad.

Martin Fortuin fluit naar de weinige meisjes op de kade. Verstoord kijken passerende toeristen op. Met twee maten schuilt de zeeman voor wind en regen onder een afdakje bij een visrestaurant. Er is nauwelijks werk vandaag, het is winter.

„De zee is weer eens onvoorspelbaar, we varen niet”, zegt Fortuin. In zijn schipperskloffie maakt hij praatjes met vakantiegangers, die behangen met tasjes van Armani, Prada en Gucci hun hotel opzoeken. Hij geeft bijkans perfecte Mandela-imitaties ten beste. „Welkom op het Waterfront”, zegt Fortuin nog maar eens. Zijn stem kraakt, zoals die van Mandela.

Geen toerist in Kaapstad die het Victoria & Alfred Waterfront, een winkel- en uitgaansgebied in een werkende haven net voor de binnenstad, overslaat. En dat was precies de bedoeling toen een groepje ondernemers en ambtenaren in 1989 met de ontwikkeling van het complex begon. Het witte minderheids- bewind in Zuid-Afrika liep op zijn laatste benen en onzekere tijden zouden volgen. Achter de slagbomen van de geprivatiseerde enclave konden de weinige toeristen die Zuid-Afrika nog bezochten, veilig zijn. Voor Kaapstedelingen zelf – de witten dus – werd het een plek waar ze zich konden onttrekken aan het politieke rumoer en de sleur van alledag.

Sinds de eerste winkels en restaurants in het oude havengebied openden, is het Waterfront alleen maar verder gegroeid. Dit is de plek waar Kaapstad naar toe gaat om te zien en gezien te worden. Hier is voor ieder wat wils. Er zijn sterrenrestaurants en fastfoodketens, boetieks van de grote kledingmerken en supermarktfilialen voor gewone Kaapstedelingen. Tegen het decor van de majestueuze Tafelberg waant Kaapstad zich in het Waterfront mondain en kosmopolitisch. Hier kun je naar film of concert, hier kun je Europees flaneren zonder op je hoede te hoeven zijn. In de negen maanden durende zomer, van september tot mei, is het hier altijd druk, overdag en ’s avonds.

Maar het Waterfront is van grotere betekenis. „Wij hebben de zee aan Kaapstad teruggegeven”, pocht havenmeester Steven Bentley. Hij wandelt in donkerblauw uniform over de kade bij het Alfred Bassin en groet iedereen – matrozen en schippers, bewakers en restauranteigenaars. Ze spreken hem aan met ‘kapitein’. Vanaf de eerste dag is kapitein Bentley bij de ontwikkeling van het ‘V&A Waterfront’ betrokken geweest. En hij is er trots op.

„Ons doel”, zegt hij, „is altijd geweest de stad en de oceaan met elkaar in contact te brengen. En dat is gelukt.” Wie vóór 1989 vanuit het centrum van de stad direct bij de zee wilde komen, moest een stukje met de auto richting Camps Bay of Seapoint ten zuidwesten van de stad. Daar zijn boulevards, daar kun je langs de zee lopen. Bij de oude stad ontnamen spoorlijnen en het havengebied het zicht. Maar dankzij het Waterfront, zegt Bentley, grenst de zee nu weer aan de voortuin van de stad.

De eerste winkels en restaurants vestigden zich in de oude havengebouwen, vaak nationaal erfgoed van zo’n 150 jaar oud. Daarna is een groot winkelcentrum gebouwd, kwamen de eerste kantoren en vorig jaar werden de luxe appartementen opgeleverd, zegt Bentley als we zijn aanbeland bij het droogdok, waaruit een geur van teer en verf opstijgt. Vorig jaar opende op het Waterfront het duurste en chicste hotel van het land, de ‘One & Only’ van de Zuid-Afrikaanse resort-magnaat Sol Kerzner.

Robbeneiland

„De haven moest altijd blijven bestaan”, zegt Bentley. „Anders zou dit een doodse plek worden.” Een kleine vloot vissersschepen vertrekt vanaf hier, grote schepen komen voor onder- houdsbeurten en marinefregatten uit de hele wereld gooien meestal onder grote belangstelling hun ankers uit. Voor toeristen zijn er zonsondergangstripjes met champagne, tochtjes langs walvissen en dolfijnen, en natuurlijk de boot naar Robbeneiland, het voormalige gevangeneneiland voor de kust van Kaapstad waar Nelson Mandela en andere anti-apartheidsstrijders jaren gevangen zaten. De steiger waar destijds de gevangenen werden afgevoerd is nu een museumpje.

Bentleys trots – het terugbrengen van Kaapstad naar de oceaan – is niet geheel uit de lucht gegrepen. Kaapstad heeft de laatste honderd jaar namelijk een wat merkwaardige verhouding met de zee ontwikkeld, zegt erfgoedspecialist Laura Robinson van de Cape Town Heritage Trust. We zitten in een koffiebar in een buurtje dat Waterkant heet, maar een zee is nergens te zien. Die ligt zowat een kilometer verderop. Bij het V&A Waterfront dus. Wie daar wil komen, moet eerst de drukste snelwegen van de stad trotseren.

In de jaren zestig en zeventig, vertelt Robinson, waren er plannen om een snelle ringweg rond de stad aan te leggen. Die is nooit voltooid. De half afgebouwde fly-overs tussen de baai en de historische binnenstad, snelwegen op palen die op dertig meter hoogte abrupt stoppen, zijn de bakens van de stad geworden. Ze zijn symbolen geworden van de wispelturige, en honderden jaren politiek gemotiveerde, stadsplanning van de oudste nog bestaande stad van Zuid-Afrika. „Met die wegen zou Kaapstad definitief van de zee zijn afgesneden.”

„Kaapstad dankt zijn bestaan natuurlijk aan de zee, maar de zee kwam steeds verder weg te liggen. En niet alleen in figuurlijke zin”, doceert historicus Andrew Boraine, die directeur is van de Cape Town Partnership, een publiekprivaat verbond dat zich bezighoudt met stedelijke ontwikkeling, in een kantoortoren in de stad. Nog voor de eerste Portugezen hier aanmeer- den, gebruikte de lokale bevolking het gebied tussen de Tafelberg en de zee, waar nu Kaapstad ligt, om in de zomermaanden (van november tot februari) hun vee te laten grazen. Met de komst van Jan van Riebeeck, die namens de Verenigde Oost- Indische Compagnie in de winter van 1652 een bevoorradingspost kwam opzetten, kon dat niet meer.

Het waren de Engelsen die in de negentiende eeuw met het Alfred Bassin en later het Victoria Bassin de eerste serieuze haven van Kaapstad bouwden. Maar de haven had aan het begin van de twintigste eeuw te weinig capaciteit voor alle vracht- en passagiersschepen die op de Kaap voeren. Net voor de Tweede Wereldoorlog begon de bouw van een nieuwe diepzeehaven, even ten noorden van de stad, waar nu nog altijd de Kaapse haven is.

Al het slib dat omhoog kwam, werd zonder enig plan of ontwerp voor de kust van het oude Kaapstad gestort, zegt Boraine. „Een deel van de Tafelbaai werd in feite gedempt, maar er was geen enkel serieus plan voor stadsuitbreiding.” In de woestenij kwam aanvankelijk industriële ontwikkeling en later, vanaf de jaren zestig, een poging tot Amerikaanse stadsplanning met grote boulevards, kantoortorens en dus die snelwegen.

Terwijl het compleet private Waterfront bedoeld was als veilige enclave los van de stad, probeert Boraine het toeristeneiland nu weer meer bij de stad te betrekken. Het is daarom een goede zaak, zegt hij, dat de investeringsarm van de Zuid-Afrikaanse overheid het Waterfront eerder dit jaar voor ruim 970 miljoen euro weer teruggekocht heeft van Dubai World. Er komen wandelroutes vanuit de stad, fietsroutes en bussen. „Want mensen hebben water nodig”, zegt Boraine. „Zonder water kan een stad niet leven.”