Jubelende bessen

Het is volop zomer, aan de bessenstruiken tenminste. Van die rode, zwarte en kruisbessen wordt the living vanzelf easy.

Hebben jullie ook aardbeien in je moestuin?” vroeg ik aan mijn in Zuid-Afrika wonende broer. „Jawel”, zei hij, „dat wil zeggen: de planten. De aardbeien die eraan komen worden altijd door de gogga’s opgegeten.”

‘De gogga’s’ is kort voor alles wat vliegt en kruipt en knaagt en vreet. Je weet nooit precies wat het is dat ’s nachts, (of is het overdag als je niet kijkt, als je er niet bent?) de rijpe vruchten aanvreet of plattrapt of gewoon verwijdert zonder een spoor achter te laten, maar dát het gebeurt dat is wel zeker.

De aardbeienplanten doen hun best, maar voor wie? De gogga’s.

Zo gaat het met wel meer in de moestuin, er wordt ondergronds aan geknaagd of bovengronds aan getrokken. Gelukkig laten de gogga’s ook wel eens wat staan. Maar niet zo veel.

Bij andere mensen lijkt dat heel anders te gaan. In veel tuinen staan struiken helemaal overladen met rode bessen, alsof het lijsterbessen zijn, zo zien die struiken eruit. Weelderig.

De bessentijd loopt al iets op zijn einde, tenminste wat wij dan bessen noemen: zwarte, witte, rode en kruisbessen. In andere landen noemen ze aardbeien, frambozen en bramen ook doodleuk bessen.

Het woord ‘bessen’ klinkt een beetje avontuurlijk. Mensen die zich in leven moeten houden in het bos, kinderen in sprookjes, eten altijd ‘bessen’. Bosbessen natuurlijk, en misschien wel de zure vossenbessen die lekkerder zijn als je er moes van kookt. Zou die verdwaalde vrouw die zichzelf in Spanje in leven heeft gehouden ook bessen hebben gevonden? Er zijn er ook veel die er aantrekkelijk uitzien maar het niet zijn. Hard, zuur of zelfs gewoon giftig. Onbekende bessen eten is niet zo’n goed idee.

Die vrouw had ook rozemarijn gegeten die ze gevonden had, las ik. Rozemarijn. Het dennennaaldigste kruid dat bestaat. Eigenlijk ongeschikt voor consumptie, maar ja je moet wat als je verdwaald bent.

Vroeger, als kind, was dat altijd zo’n leuke fantasie. Dat je verdwaald was en dan zou gaan wonen in de hut die je gebouwd had. Een mooie hut om een boom heen, je had de vloer aangeveegd en je ging er wonen. Peluwtjes van wollig mos uiteraard, je had gelukkig je jas aan en die legde je ’s nachts over je heen. Een vuurtje zou je stoken, buiten, en heus ging dan niet ineens het hele bos in vlammen op en je broer die padvinderij had gehad kon dat vuurtje wel aan krijgen.

Dan het eten. Bessen! Het was als je in die hut zat toevallig net tijd voor alle bessen tegelijk: bos-, en bramen en frambozen. En je zou cantharellen vinden, natuurlijk.

Ach hoe onnozel fantaseerde je.

Nu weet ik dat ik al blij zou zijn als ik onrijpe bramen met rozemarijn zou weten te eten.

Maar enfin, wie bessenstruiken in de tuin heeft, heeft vermoedelijk ook wel een huis bij die tuin en die hoeft dus niet in een natte hut op de koude grond te liggen en te dromen van een takje tijm ter afwisseling van de rozemarijn. Zo iemand heeft heel andere problemen: wat doe je in vredesnaam met al die bessen?

Want hoe benijdenswaardig zo’n struik vol bessen ook is, er schieten je niet ineens tien geweldige recepten met rode bessen te binnen. Dan wordt het weer gelei voor straks in de wildsaus als je lekker ouderwets wilt koken.

Kruisbessen

Met kruisbessen koken is nog moeilijker en van zwarte bessen maakt iedereen altijd gewoon jam. Hoewel ze heerlijk zijn om zo te eten. Als je ervan houdt.

Als ik een beetje een moedeloos gevoel krijg over zulke onbenullig eettuinproblemen pak ik graag een van de boeken van Peter Bauwens, de man als het gaat om de eetbare tuin. In zijn boek Een tuin om van te smullen schrijft hij dat het er bij kruisbessen, die over het algemeen niet erg geliefd zijn, op aankomt smakelijke soorten te kiezen (dat gaat alleen de tuiniers aan, de consumenten hebben het te doen met de soorten die ze aangeboden krijgen) maar dan, zo schrijft hij, behoren „zongerijpte kruisbessen (…) tot het fijnste wat we in ons klimaat op het gebied van bessen kunnen bereiken. De smaak van vele van deze oudere rassen kan gerust concurreren met ander kleinfruit als frambozen of bramen.”

Zo zie je maar. En die laatste zin zou er helemaal niet eens bij hoeven als wij, net als de Engelsen, frambozen en bramen ook bessen noemden. Dan had hij zijn punt in een keer al gemaakt.

Kruisbessen kunnen, eerlijk is eerlijk, ook wel wat minder zijn. Sommige zijn uitgesproken harig, andere hebben een taai vel of zijn wrang. (Gek, als je het zo opschrijft, lijkt het net of het over oude mannen gaat.) Maar, hoe zal ik het zeggen: we moeten onze kruisbessenangst overwinnen.

En verder dus sowieso goed bessen eten nu.

Een mooie schaal bessen op tafel is heel feestelijk. Of een uitgeholde meloen gevuld met zijn eigen vruchtvlees en rode bessen die je eerst met wat suiker bestrooid een uurtje hebt laten staan. Verrukkelijk lekker, makkelijk en zomers. En als we nu geen zomerse gevoelens in onszelf ontketenen, wanneer dan? Het is juli! Alles bloeit en geurt, het is vakantie, de bessen jubelen aan de struiken, bij de thee eten we wafeltjes met een dun laagje crème fraîche en daarop met poedersuiker bestrooide frambozen, en we neuriën ‘Summertime’ en dat de living zo easy is. Je hoeft helemaal geen tuin te hebben, een goede groenteboer is genoeg.

Wat de zwarte bessen betreft, met hun vreemde zware geur die je echt moet leren waarderen, die worden uiteraard royaal toegepast in alles met ‘cassis’-smaak. De meeste mensen zien nooit een zwarte bes, want ze komen amper op de markt. Soms zie je ze langs de weg, in de stalletjes van mensen die meer groenten en fruit in hun tuin hebben dan ze aankunnen.

Wie ze wel heeft kan er natuurlijk heerlijke taarten mee bakken, maar die kan ook doen wat ik las bij Alma Huisken in Van het land (een van de andere boeken waar je altijd levenslust en daadkracht van krijgt): de bessen met suiker (750 g op 1 kilo bessen), kruidnagel en eventueel wat blaadjes munt of verveine in gesteriliseerde weckpotten doen, die zes weken koel en donker laten staan en dan de inhoud zeven. Dan heb je heel pure, ongekookte zwarte bessensiroop. Ik ga het vandaag nog doen! En reken maar dat ik erbij neurie, wat zeg ik: zing! Zomer! Bessen! Tralalala!