Hoofdverdachte ontdekt dat proces geen project is

Hoofdverdachte Jan van V. haalde in de strafzaak over vastgoedfraude zijn eigen verdediging onderuit. Na de zomer wordt het proces afge-rond met strafeis en vonnis.

Stapels dossiers over de zogenoemde vastgoedfraude, waarin hij de hoofdrol speelt. Maar hoofdverdachte Jan van V. heeft het nauwelijks bekeken. Een half jaar geleden kocht hij een studieboek rechten voor eerstejaars studenten om de strafzaak tegen hem goed te kunnen begrijpen. Heeft hij er nog geen letter in gelezen.

Maar dat betekent niet dat de strafzaak rond fraude met vastgoed van Bouwfonds en Philips Pensioenfonds hem niet interesseert. Maanden is die nu al aan de gang. Gisteren was voorlopig de laatste dag. Na de zomervakantie gaat het proces verder. Pas dan zullen de verdachten horen welke straf de officier van justitie eist. Dan mogen ook de advocaten hun pleidooien houden.

Nee, de voormalig directeur van Bouwfonds had zich heel goed voorbereid op de behandeling van zijn zaak in de Haarlemse rechtbank, maar wel op zijn manier. Daarom heeft Van V. bijna niet in het dossier gelezen. Hij is geen man van papier. Hij is projectontwikkelaar, man van mondelinge afspraken en een handdruk om die te bezegelen. Vertrouwen, daar draaide alles om. Je kunt tenslotte maar een keer iemand een loer draaien.

Zo heeft Van V. ook de behandeling van zijn zaak benaderd, alsof het een project was. Een ding had hij zich voorgenomen: hij zou niet gaan zitten draaien, maar gewoon vertellen wat hij had gedaan. Hoe hij als directeur van Bouwfonds Vastgoed Ontwikkeling de projecten voor elkaar kreeg. Hoe hij potjes met geld van Bouwfonds „creëerde” waaruit hij „moeilijke” betalingen deed, of waarmee hij medewerkers „gemotiveerd” hield.

Niet aan de hand van het dossier vertelde Van V., maar puttend uit eigen geheugen. En hij had nog een ding besloten. Hij zou alleen over zichzelf vertellen. Wat anderen hadden gedaan, daar ging hij niet over. Helemaal in lijn met de filosofie van zijn aangetrouwde oom Nico Vijsma, jarenlang zijn rechterhand en ook verdachte. Je hebt alleen jezelf, daar moet je het mee doen. En je bent alleen verantwoordelijk voor jezelf.

Zo zat Jan van V. dag in dag uit in de rechtbank. Zijn cognackleurig koffertje naast zich, met daarin wat papieren en een pen en zijn lunch; een keurig rijtje boterhammen in een plastic zakje en een banaan.

Maar zo’n rechtszaak bleek toch heel wat anders. Waar hij als projectontwikkelaar altijd de touwtjes in handen had, was hij nu al snel de controle kwijt. Zo had hij met schrijver Leon de Winter afgesproken dat na het proces een groot verhaal zou verschijnen waarin hij zou vertellen dat hij toch wel heel hard was aangepakt door justitie. Natuurlijk had hij dingen verkeerd gedaan, volgens de juridische werkelijkheid, maar ja, zij in het vastgoed hadden een eigen werkelijkheid. Daar hield niemand rekening mee.

Toen verscheen het verhaal ineens toch tijdens het proces. Zijn advocaat kwaad. Dat was niet afgesproken. Hij zou keurig vertellen wat hij had gedaan, het oordeel van de rechtbank afwachten en niet het verbolgen slachtoffer spelen. En nu was er ineens toch een huilverhaal.

Nog zo’n moment. De rechtbank behandelde het cruciale ongedateerde briefje waarin Van V. toestemming kreeg van toenmalig bestuursvoorzitter Cees H. om bij te verdienen aan verschillende projecten van Bouwfonds. Daar had Van V. al een paar keer mee geschermd toen hij als verdachte uitvoerig vertelde. Hij wist alleen niet meer wanneer het cruciale papiertje gemaakt was.

Later bleek dat hij daar over gelogen had. Hij wist best wanneer dat papiertje gemaakt was, namelijk na zijn vertrek bij Bouwfonds. Hij had lelijke vragen van de fiscus gehad over allerlei inkomsten. Toen hadden ze dat papiertje in elkaar gedraaid, zodat het net leek of het bij zijn arbeidscontract uit die periode hoorde. Zijn toenmalige baas Cees H. had het vrijwillig getekend. Maar, hield Van V. vol, hij had wel degelijk mondeling toestemming gehad van Cees H. om tijdens zijn dienstverband bij Bouwfonds bij te verdienen.

Zo bleef er van zijn eigen strategie weinig heel over. Een proces bleek toch heel wat anders dan een project. Hij werd ineens keihard geconfronteerd met de juridische werkelijkheid, waarover hij naar eigen zeggen nooit had nagedacht.

Het enige waar hij eigenlijk op een bepaalde manier nog controle over had, was over zijn medeverdachten. Ja, wat kleine verwijten gaven zij ook toe. Een vals documentje hier, een verkeerde omschrijving daar. Maar dat ze flink hadden bijverdiend? Of waren omgekocht? Dat was onzin.

Jan van V. deed daar niet moeilijk over. Natuurlijk hadden zijn medeverdachten verdiend. En natuurlijk hadden ze daar niet altijd voor gewerkt. Ze hadden misschien wel een „prestatie” geleverd. Daar ging hij niet over zitten liegen. Ja, hij had zich van tevoren voorgenomen niet over anderen te vertellen. Nu moest het moest toch maar. Van zijn strategie was toch al niets meer over.