Hoe minder een boek gebruikt wordt, hoe minder ver het restaureren hoeft te gaan

‘Het beste is zo weinig mogelijk in te grijpen”, zegt Constant Lem. “Dat is misschien wel het voornaamste dat ik heb geleerd. Je krijgt steeds meer respect voor het boek en je gaat steeds minder doen.”

Constant Lem is boekrestaurator bij de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Hij had net laten zien hoe hij de beschadigde rug van een oude Blaeu-atlas herstelde. Verdwenen kalfsleer werd vervangen door nieuw kalfsleer dat zorgvuldig op kleur was gebracht en daarna met een speciaal mes op de juiste dikte was gesneden. Het zou worden vastgelijmd met een papje van tarwezetmeel. De verslaggever had zijn vinger in het potje stijfsel mogen steken en had die daarna aan zijn broek afgeveegd. Dat kan, want stijfsel is pH-neutraal en lost weer op in water. Dat had Lem net gezegd. Dat moest ook, want restauraties moeten omkeerbaar zijn.

Nu viel de vreemde vraag of Lem – lang geleden – als beginnend restaurator wel eens een boek zó stevig gerestaureerd had dat het er goed beschouwd eerder op achteruit dan op vooruit was gegaan. Zoals ze in Frankrijk wel middeleeuwse kastelen restaureren. Destroying the town in order to save it.

Het is maar hoe je het boek ziet, negeert Lem kalm de kwestie, als informatiedrager of als informant. In veel gevallen zal je aan de tekst van een boek de hoogste waarde toekennen. Maar van heel oude boeken kunnen papier, inkt, binding en band net zo belangrijk zijn. Voor de restauratie maakt dat veel uit.

In het verleden ging het vooral om de tekst en werd veel van de authenticiteit opgeofferd. Het boek werd uit elkaar gehaald, losse katernen werden opnieuw gebonden, het geheel aan katernen, het boekblok, werd bijgesneden en van een nieuwe band voorzien. Zo zijn in de negentiende eeuw veel boeken gerestaureerd. Van oudsher was het restauratiewerk in handen van boekbinders, en die wilden natuurlijk het liefst gewoon een nieuw boek maken. Dat zouden we tegenwoordig alleen doen bij echte gebruiksboeken die nog veel geraadpleegd worden, al worden die ook vaak in digitale vorm beschikbaar gesteld.

Van heel oude boeken zal je ook de band zoveel mogelijk willen bewaren. De restauratie bestaat dan uit minimale reparaties die verder verval stoppen, de samenhang van de katernen garanderen en het gebruik van het boek weer mogelijk maken – meestal eerder ‘inzien’ dan ‘lezen’. Oude boeken worden zelden van a tot z gelezen. En hoe minder een boek gebruikt zal worden, hoe minder ver je hoeft te gaan met de restauratie. Zo vraagt elk boek zijn eigen afwegingen.

Niet ver van Lems werktafel staat een kast waarin boeken met alle mogelijke schade zijn verzameld. Boeken met waterschade, boeken met schimmelplekken en met vraat van houtworm, zilvervisjes of andere insecten. Boeken met vervilt papier, verkleefde bladzijden of mislukte restauraties. En boeken met schade door intensief gebruik of sterk wisselende temperatuur en vochtigheid. Ook boeken waarin roestende nietjes hele gaten in de katernen sloegen.

Opvallend hoe het lompenpapier van vóór 1840 nog in uitstekende staat verkeert. Het werd bereid uit linnen en katoen en daarbij bleven de lange vezels goed intact. Aan het houtslijpsel voor het houtpapier dat later kwam zijn decennialang noodgedwongen chemicaliën toegevoegd die – bij nader inzien – het papier van binnenuit aantasten. Dat is de beruchte verzuring die in combinatie met het lignine uit het hout sommige papiersoorten zó heeft verzwakt dat ze verkruimelen bij het aanraken. Het padvindersboekje dat Lem liet zien verloor al snippers als je er naar keek.

Zelfs boeken die nog geen eeuw oud zijn kunnen al zwaar verzuurd zijn; pas na 1950 is het papierprocédé zo verbeterd dat de kwaliteit minder zorgen baart. De chronische achteruitgang van papier uit de periode 1840-1950 wordt nu aangepakt in het door het ministerie van OCW bekostigde conserveringsprogramma Metamorfoze. Dat behandelt ook documenten uit de archieven die lijden aan inktvraat, schade door agressieve bestanddelen uit de schrijfinkt van weleer.

Van heel oude boeken zijn de ruggen het kwetsbaarst, zegt Lem, die het bezoek prompt naar een ad hoc expositie van herstelde oude ruggen leidt. Ruggen van kalfsleer, of van schaapsleer als het wat goedkoper moest. Ruggen kunnen al beschadigd raken als het boek niet eens gebruikt wordt. De ruggen fungeren als scharnieren, en als het boek rechtop in de kast wordt gezet, wat na 1600 steeds meer voorkwam, dan hangt het boekblok eraan als een deur in zijn sponning. Een chronische belasting. Er komt bij dat veel ruggen eeuwenlang hebben blootgestaan aan de inwerking van licht en luchtvervuiling. Zo ontstond de schade die Lem en mederestaurators met minimaal ingrijpen proberen te herstellen, met zowel oorspronkelijke als moderne materialen: kalfsleer, tarwestijfsel, Japans papier.

En nooit zonder de oorspronkelijke toestand van het boek in een gedetailleerde fotodocumentatie te hebben vastgelegd. Met liefde voor de sporen uit het verleden.

Karel Knip