Hoe harder de knal, hoe leuker

Bijna 44.000 mensen in Nederland doen aan schietsport. En als het aan de schietclubs ligt, worden dat er meer. Ze willen actief scholieren gaan werven. Lastig blijft de negatieve publiciteit door schutter Tristan van der V. in Alphen. ‘Leg maar niet op straat dat we schieten.’

Het is muisstil op de vijftigmeterbaan van schietvereniging Het Markiezaat in Bergen op Zoom. Voorzitter Sjef Robben (51) ligt met zijn semi-automatische militaire geweer op een tafel, tussen twee houten schotten. Geconcentreerd tuurt hij naar de roos in de schietschijf. Oordopjes in, schietbril op. Boem. De schutter naast hem heeft gevuurd. Sjef ademt rustig, houdt zijn adem even in en schiet. Vijf keer. „Wij schutters wachten op elkaar.”

De baancommandant – de schutter met de meeste ervaring – geeft het commando de wapens te ontladen en veilig weg te leggen. Hij controleert de wapens en geeft toestemming de baan op te gaan. Daar loopt Sjef, met de baancommandant en een derde schutter. Vijftig meter heen. „Hoe gaat het?” „Kan beter.” Sjef kijkt naar zijn resultaat en plakt de schietgaten in zijn zwarte kartonnen schietschijf met zwarte stickers af. Vijftig meter terug. Tien keer; vijftig schoten.

Sjef groeide op tegenover een militaire kazerne. De vader van zijn beste vriend was de korpscommandant. Met zijn vriend speelde Sjef op de hei en gluurde naar militaire oefeningen. Samen reden ze mee in legerjeeps, vlogen mee in helikopters.

Na de middelbare school ging Sjef als vanzelfsprekend het leger in. Hij werd uitgezonden en zag dingen die hij nooit zal vergeten. Later trad hij toe tot het „burgerleven”, omdat het leger „slecht verdiende”. Een vriend zei: ‘Kom schieten op de vereniging.’ Dat is nu twintig jaar geleden.

Jarenlang leefde Sjef voor de schietsport. Hij trainde drie keer per week en schoot ruim dertig wedstrijden per jaar. Het moment dat hij Europees kampioen werd in de B-klasse staat in zijn geheugen gegrift. En nog altijd houdt hij van de onderlinge competitie met verenigingsgenoten. Hij geniet van het gevecht met zichzelf. Als hij iets goed kan, wil hij nóg beter worden. Zo zit hij in elkaar.

Achthonderd schietclubs

In Nederland beoefenen bijna 44.000 mensen de schietsport. Dat aantal neemt elk jaar toe met een paar honderd. Ze schieten bij achthonderd verenigingen en staan ingeschreven bij de Koninklijke Nederlandse Schutters Associatie. Vijftig procent van de schutters is ouder dan vijftig. Tweeduizend schutters zijn jonger dan 21 jaar. Schieten kan in verschillende wapengroepen, zoals Luchtgeweer, Klein Kaliber Geweer, Groot Kaliber Geweer, Pistool, Kleiduiven en Historische Wapens. Schieten is een olympische sport sinds de allereerste Spelen van 1896.

Bij schietvereniging Het Markiezaat zijn vijftig van de 250 leden oud-militair. In de burgermaatschappij heeft niemand tijd voor elkaar, zeggen ze. Bij de schietvereniging wel. Deze sportvereniging komt nog het dichtst bij een peloton.

SV Het Markiezaat heeft vier overdekte schietbanen met, op elke baan, plaats voor zes schutters. Twee 25-meterbanen; voor de gespierde pistoolschutters en de kinderen met luchtbuksen. Een vijftigmeterbaan die veel gebruikt wordt door schutters met antieke wapens, die nog geladen worden door in de loop zwartkruit en een loden kogel te duwen. En een honderdmeterbaan voor alle soorten geweren.

De honderdmeterbaan is vanavond vol. Schutters liggen er niet op tafels, zoals op de vijftigmeterbaan, maar op matjes op de betonnen vloer. Ze dragen lange broeken en dikke jassen. Want ook in de zomer is het er koud.

Op baan vier ligt Ralph (23). Door de enorme kijker op zijn geweer heeft hij haarscherp zicht op de roos honderd meter verderop. Zijn ademhaling en hartslag doen zijn kijker schudden. Zelfs zijn vinger op de trekker kan zijn kogel van baan laten veranderen. Ralph ligt zo stil mogelijk. Op de baan komt hij tot rust.

Op baan vijf, naast Ralph, ligt zijn vader Ed (55), met een vergelijkbaar geweer. Roosjesmelkers, noemt Sjef schutters met kijkers.

Ed en Ralph zijn techneuten. Ralph studeert chemical engineering aan de Technische Universiteit Eindhoven. Ed is verantwoordelijk voor de veiligheid in een groot gebouw van een multinational. Om hun schietresultaat te verbeteren, rekenen en sleutelen ze voortdurend samen. Niet aan hun geweren – die staan thuis keurig in de olie in hun kluis – maar aan hun munitie.

Lege kogelhulzen maken ze glad – dat heet prepareren. Kogelnekken brengen ze terug op fabrieksgrootte. „We meten met een elektronische schuifmaat.” Met een trechtertje, een tickler, brengen ze de kruitlading per korreltje op het juiste gewicht. Ze kiezen zorgvuldig type kruit bij type kogelkop. Als ze eenmaal het juiste recept hebben gevonden, duurt het herladen voor één schietavond – honderd kogels – vijf kwartier. Ed en Ralphs motto: je materiaal bepaalt je resultaat.

Leden van SV Het Markiezaat kunnen op maandag-, dinsdag-, vrijdagavond en zondagmiddag trainen met hun moderne wapens, en op woensdagavond met antieke wapens. De meesten schieten in tweetallen en vergelijken resultaten, anderen schieten alleen. Zondagochtend is de jeugdcompetitie met luchtbuksen voor kinderen van twaalf tot zestien jaar.

Altijd zijn er minimaal vier vrijwilligers in het scoutingachtige verenigingsgebouw aanwezig. Een bestuurslid, een barvrouw, een verenigingsveiligheidsfunctionaris. En iemand die de commandopost bemant waar schutters zich inschrijven en munitie, verenigingswapens, oordopjes, beschermingsbrillen en schietkaarten kunnen krijgen.

Handgebouwd

Het is tien uur, de banen sluiten. Schutters leggen hun geweertassen in de kast in de kantine. Sommigen ploffen op een kruk aan de bar. Anderen gaan zitten aan de picknicktafels buiten op de veranda. Pistoolschutters bij pistoolschutters. Militaire geweerschutters bij militaire geweerschutters. Gesprekken over wapens, munitie, resultaten, het leven.

De vaste vrijdagavondgroep is er. De oud-voorzitter, een gepensioneerd ingenieur met een handgebouwd precisiegeweer. De gehandicapte jongeman die de 6,5 kilometer van zijn huis naar de schietclub soms in zijn rolstoel aflegt, zodat hij iets kan drinken. De geblondeerde, gespierde, oudere man die altijd frikadel na frikadel bestelt. De interieuradviseur die in de zevende hemel is met zijn nieuw verworven karabijn uit 1865: „Deens, dus geen bloedwapen.”

Jessica (25) heeft bardienst. Op de binnenkant van haar rechter wijsvinger heeft ze een tatoeage. Down Boy, staat er. „Gewoon voor de grap.” Op de pols van haar linkerhand is de voetafdruk getatoeëerd van de kat die ze moest laten inslapen. Ze heeft er meer. Tatoeages, geen katten. Ze vindt het kunst.

Jessica is autospuiter bij het schadeherstelbedrijf van Sjef. Vroeger was ze kapster, maar ze vond alleen het kleuren leuk. Ze schiet nu anderhalf jaar.

Drie mensen op Jessica’s werk schieten. Ze zeiden: „Ga eens mee.” Ze ging. Ze had turnen geprobeerd, badminton, jazzballet, de sportschool. Maar de eerste keer dat ze schoot, was ze verkocht.

Drie maanden lang volgde ze een cursus. Ze leerde schieten met pistolen, revolvers, geweren. Toen mocht ze lid worden. Zo gaat dat bij SV Het Markiezaat. Ze koos als discipline: het militaire geweer. Want hoe harder het knalt, hoe leuker ze het vindt. „Dat zal wel iets met adrenaline te maken hebben.”

Een jaar lang schoot ze vervolgens met verenigingsgeweren, wapens uit de verenigingskluis, bedoeld voor beginnende schutters. Het vervelende is dat je die niet mag afstellen. Soms schoot ze met het wapen van Sjef, maar dat is eigenlijk te zwaar. Toen had ze aan de vereniging en de schietinstructeur bewezen dat ze serieus geïnteresseerd was in de schietsport en mocht ze een verlof – leken zeggen vergunning – voor een eigen wapen aanvragen.

Als schutters een jaar en drie maanden regelmatig schieten bij een vereniging, kunnen ze een verlof aanvragen bij het Bureau Bijzondere Wetten op het politiebureau. Ze krijgen een verlof als ze geen strafbaar feit hebben gepleegd. Na een jaar kunnen ze een verlof aanvragen voor meer wapens. Voor maximaal vijf wapens mag een verlof worden aangevraagd. Schutters moeten hun wapens thuis bewaren in een kluis die bevestigd is aan vloer of muur. De munitie moeten ze opbergen in een aparte kluis. Het maximaal aantal patronen is gelimiteerd per woning – Sjef mag er 10.000 in huis hebben. Het Bureau Bijzondere Wetten streeft ernaar elk jaar op onverwachte momenten bij alle schutters thuis te controleren of wapens en munitie goed zijn opgeborgen. Bij Sjef zijn ze in twintig jaar tijd niet meer dan drie keer langs geweest.

Jessica reed met Sjef naar een wapenhandelaar in Arnhem. Die had een geweer dat ze in De Schietsport had gezien, het blad van de Koninklijke Nederlandse Schutters Associatie. Een betaalbaar exemplaar – 1.380 euro – met ronde vormen. Eigenlijk vindt ze een robuust geweer met grote handgreep mooier. Maar ja, dat is dan meteen twee keer zo duur.

In een soort paskamer, „maar dan wat groter”, ging ze liggen. Ze voelde en koos de middenmaat. Thuis demonteerde ze de handgrepen, nam het geweer mee naar de spuiterij en spoot het roze. „Iedereen herkent mijn geweer meteen.”

Jessica schenkt Ed en Ralph een pilsje en een cola in en vraagt aan niemand in het bijzonder: „Zou mijn geweer ook in een gitaarkoffer passen?” Ze wil niet dat iedereen ziet dat ze een wapen in huis heeft. Want criminelen zijn dol op wapens. Dat weet iedereen. En bij haar in Steenbergen wordt veel ingebroken.

Handboogles

Ed en Ralph zitten naast Sjef op een kruk aan de bar. Nee, Ed stond niet te springen toen Ralph op zijn zestiende zei dat hij wilde schieten. Ralph mocht wel op handboogles. En toen een mentor hem twee jaar later zou introduceren bij de schietclub, is Ed meegegaan. Ed: „Ik realiseerde me dat ik jaren lange dagen heb gewerkt en dat het leuk is iets samen met mijn zoon te doen”.

Op de universiteit weet bijna niemand dat Ralph schiet. „Dat is in Nederland niet erg geaccepteerd. Sommige mensen zijn finaal tegen wapens. Ze kijken echt anders naar je als ze weten dat je een wapen hebt.” Een vriendinnetje stelde hem zelfs voor de keuze: ik of de schietsport. Het is uit.

„Leg maar niet op straat dat we schieten”, zegt Ed altijd tegen zijn jongste dochter. Hij baalde als een stekker toen laatst een politiewagen voor de deur stopte en twee agenten in uniform aanbelden. Dat ze onverwacht komen controleren of kluis en wapens op orde zijn, vindt hij prima. Maar op deze manier? „De hele buurt vroeg zich af wat er aan de hand was.”

De schietsport zit in een verdomhoekje, zegt Sjef. Hij snapt goed dat de meeste schietverenigingen geen journalist willen ontvangen. Zelfs in het bestuur van Het Markiezaat zijn leden bang voor negatieve publiciteit.

Maar Sjef wil zo graag over de schoonheid van de schietsport vertellen. Hij juicht over het plan van de Koninklijke Nederlandse Schutters Associatie om middelbare scholieren met een promotiecampagne te werven voor de sport. Want hij verlangt naar meer Nederlandse kampioenen op topniveau. In Peking (2008) nam voor het eerst in vijftig jaar geen Nederlandse schutter deel aan de Olympische Spelen. Een blamage. Voor ‘Londen 2012’ heeft zich gelukkig al één Nederlander (Peter Hellenbrand) bijna geplaatst.

Ach, verzucht Sjef. Hoe gaat dat dan weer. Kamerleden krijgen lucht van de campagne en stellen verontrust Kamervragen. Nou ja, en dan gaat Tristan van der V. in Alphen tekeer – „afschuwelijk”. En dan belandt het plan in de ijskast. Nu houden schutters zich maar weer even gedeisd.

Psychische stabiliteit

Want ja, Tristan van der V. Op 9 april dit jaar parkeerde hij zijn groene Mercedes vlak voor het middaguur voor winkelcentrum de Ridderhof in Alphen aan den Rijn. Hij stapte uit met drie wapens. Voor alle drie had hij – lid van een naburige schietvereniging – een verlof. Als een bezetene vuurde hij meer dan honderd kogels af met zijn semi-automatische geweer. Hij doodde in drieënhalve minuut tijd zes mensen en verwondde er zestien. Daarna schoot hij zichzelf met een revolver door het hoofd.

Na het incident rezen er vragen. Is het in Nederland niet te gemakkelijk is om een wapen te bemachtigen? Ziet het Bureau Bijzondere Wetten wel goed genoeg toe op de handhaving van de wapenwet? Deskundigen, politici, korpschefs buitelden over elkaar heen. „Psychische stabiliteit is geen criterium voor een wapenvergunning. Dat moeten we aanpassen”, zei Jaap Timmer, hoofddocent politiestudies aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. „Er moet een verbod komen op het mee naar huis nemen van vuurwapens”, zei Kamerlid Sharon Gesthuizen van de SP. Munitie moet niet langer thuis bewaard worden, oordeelde de Raad van Korpschefs.

Bij schietsportvereniging Het Markiezaat hebben ze zich wild geërgerd. Al die mensen die plotseling verstand dachten te hebben van de schietsport. Media die de schietsport voortdurend in verband brachten met criminaliteit. Ralph: „Na zo’n incident proberen ze een schijnveiligheid te creëren om mensen gerust te stellen. Ze komen met onuitvoerbare ideeën. En ze hebben voor hun beurt geroepen. Want nu blijkt dat Tristan helemaal geen vergunning had mogen krijgen.”

Bij SV Het Markiezaat vragen ze zich af of een incident als in Alphen überhaupt te voorkomen is. Het is niet uit te sluiten dat er tussen 42.000 sportschutters een malloot zit, zeggen ze. Net zomin als te voorkomen is dat van de twee miljoen automobilisten in Nederland er eentje met Koninginnedag op mensen inrijdt.

Alleen de vader van Tristan, zeggen ze. Die was lid van dezelfde schietvereniging als zijn zoon. En die heeft geweten dat Tristan ooit zelfmoordneigingen had en opgenomen was in een psychiatrische kliniek. Ed: „Onbegrijpelijk dat hij niet meer deed om te voorkomen dat zijn zoon een wapenvergunning aanvroeg. Ik was zeker ook met de vereniging en de politie gaan praten om mijn zoon en zijn omgeving te beschermen.”

Hartslag

Het is bijna twaalf uur. Jessica sluit de bar, de vrijdagavond diehards maken zich op om te gaan.

„Morgen wedstrijd”, vraagt Sjef aan de interieuradviseur met zijn nieuwe Deense karabijn.

„Ja”, antwoordt die. „Pistoolschieten. ’s Ochtends om negen uur hier verzamelen en dan met het team naar Zeeland.”

Succes, zegt iedereen. En tot volgende week. Sjef knipoogt: „Geen koffiedrinken voor de wedstrijd, hè. Daar gaat je hartslag van omhoog.”