'Het Olympisch Plan 2028 heeft leiderschap nodig'

Marcel Sturkenboom maakt zich ernstige zorgen over de voortgang van het Olympisch Plan 2028. Als initiator wil hij dat er snel een voorzitter en een stad worden aangewezen.

Benoem voormalig hockeyinternational Stephan Veen tot leider van het Olympisch Plan 2028 en kies voor Amsterdam als kandidaatstad. Maar vooral: doe het snel. Dat zegt Marcel Sturkenboom, de bedenker van het plan om de Olympische Spelen honderd jaar na ‘Amsterdam’ weer naar Nederland te halen. Hij constateert stagnatie. En dat zint hem allerminst. „Ik wil voorkomen dat het plan uit de hoofden verdwijnt.”

Sinds Sturkenbooms gedwongen vertrek als directeur Sport van sportkoepel NOC*NSF, in oktober 2008, is hij niet meer actief bij het Olympisch Plan 2028 betrokken. Maar hij is begaan met de ontwikkelingen en heeft als directeur van de volleybalbond Nevobo zijdelingse belangen. Sturkenboom, die zich niet als eerste kritisch uitlaat over de vorderingen van het Olympisch Plan 2028, dringt aan op actie.

Waar komt uw kritiek op het Olympisch Plan vandaan?

Marcel Sturkenboom: „Ik zou mijn houding niet kritisch, maar realistisch willen noemen. En ik sta niet alleen. Onlangs heeft een zestal sportinsiders [onder wie Joop Alberda, voormalig technisch directeur van NOC*NSF, red.] zich in de pers sceptisch over het plan uitgelaten. Verder heeft een groep van 35 personen die een werkbezoek aan de organisatie van de Spelen van 2016 in Rio de Janeiro heeft gebracht, aangedrongen op meer voortgang. Er moet meer power in het plan worden gestopt en meer leiding aan worden gegeven, anders dreigt het op de achtergrond te raken. In korte tijd hebben sportminister Edith Schippers, voormalig IOC-lid Hein Verbruggen en IOC-lid prins Willem-Alexander in interviews aangegeven het plan te steunen, maar het niet te willen trekken. Er is echter meer behoefte aan leiders dan aan duwers. We weten allemaal dat een olympische kandidatuur gebaat is bij een gezicht, een krachtig, invloedrijk persoon die het plan kan positioneren. Ik zie nu drie blokken naast elkaar opereren: het ministerie van VWS met Schippers, NOC*NSF met voorzitter André Bolhuis en de uitvoerende organisatie Olympisch Vuur met directeur Eric Eijkelberg. Maar er is behoefte aan eenduidigheid. En dus aan leiderschap.”

Terwijl Bolhuis maar geen opvolger van Ivo Opstelten kan vinden, noemt u Stephan Veen als leider van het Olympisch Plan. Is hij de beste kandidaat?

„Ik noem zijn naam om een discussie op gang te brengen. Veen is als lid van de Council al betrokken bij het Olympisch Plan 2028. Nee, ik heb hem niet benaderd, maar ik ben een voorstander van duidelijkheid. Veen is een voormalige topsporter met een sterk olympisch verleden. En als directielid van de Rabobank kent hij het bedrijfsleven. Bij uitstek geschikt om het Olympisch Plan te trekken.”

Een gevoelig onderwerp is de keuze voor de stad. Maar u noemt zonder omwegen Amsterdam. Bewust?

„Ja, want het plan heeft een trekker nodig, een stad met een bekend imago. Met de concurrentie tussen Amsterdam en Rotterdam schieten we niets op. Als je alle voor- en nadelen tegen elkaar afweegt, kan het niet anders of je komt uit bij Amsterdam. Stop dan met polderen, doe niet langer moeilijk en maak die keus. Maar maak wel goede afspraken met andere steden over hun positie in het Olympisch Plan.”

Waarom is, volgens u, de belangstelling voor het Olympisch Plan afgenomen?

„De bevoegdheden zijn niet afgebakend. Aanvankelijk trok NOC*NSF het plan naar zich toe. Maar in mijn ogen moet het Olympisch Plan een zelfstandige, onafhankelijke beweging zijn. Er is geen duidelijkheid over de status en de rolverdeling. Het plan politiseert ook. Nee, het is nog geen gevecht geworden. De betrokkenen opereren voorzichtig en terughoudend. Werd het maar wat scherper met elkaar uitgevochten. De kracht van het plan zou iedereen moeten binden. Nu zie je alles heel langzaam wegglijden.”

Wat baart u nog meer zorgen?

„De magere evenementenkalender. Zorgelijk, want 2016, het jaar waarin over kandidaatstelling voor de Spelen van 2028 wordt besloten, komt steeds dichterbij. De komende jaren hebben we alleen de WK wielrennen, de WK roeien, de WK hockey en mogelijk de WK beachvolleyball binnen de grenzen. Weinig voor een land met olympische ambities. Daarmee slaan we geen deuk in een pak boter. Maar de tijd dringt.”