Een pont geluk

Zeilen van Amsterdam naar de Wadden. Janna Laeven vaart mee met de eilandhopper.

Het is druk voor het veerpontje over het IJ. Gehaaste ouders met bugaboo of bakfiets. Kunstenaars op weg naar hun atelier in Amsterdam-Noord, stukken hout onder de arm. Twee jongens die hun scooter al de pont op rijden vóór de vorige passagiers het dek hebben verlaten, worden toegesnauwd.

Terwijl we het water oversteken, vaart een zeilboot vlak langs de pont. Aan het roer een man in schipperstrui, de vlag van Amsterdam wapperend op het achterdek. Dáár wil je zijn, op dat schip, naast die ruige man in zijn ruige trui, haren in de wind. Niet hier tussen de platgetrapte patat. Waar je niet bent, daar is het geluk.

Vandaag is het geluk met mij.

Op de Noordoever stap ik over op de Avontuur, een 26 meter lange klipper uit 1909. Het schip, dat normaal wordt gecharterd door bedrijven voor een dagje uit, zeilt deze zomer als eilandhopper van Amsterdam naar de Waddeneilanden. We zullen via het Markermeer naar Enkhuizen varen, waarna de klipper doorvaart naar Texel en Terschelling en terug. Ook een veerpont dus, maar dan een zonder haast.

Het gezelschap aan boord is divers. Monique en Daniël zijn het hippe jonge stel. Er zijn een paar mannen van in de vijftig met een fascinatie voor oude platbodems. Nicole reist alleen, maar neemt een fiets en vijf tassen mee. Oma Hetty, een lookalike van Monique van de Ven, heeft haar kleindochter van 6 meegenomen. Sommigen gaan maar mee tot aan Enkhuizen, anderen blijven de hele week en overnachten in de kleine hutten.

Cruiseschip

In havens en sluizen mag het schip niet zeilen, dus varen we op de motor de stad uit. Bij de Passenger Terminal passeert onze klipper een cruiseschip maat flatgebouw, dat oogt als een kille vakantiefabriek. Dat ons schip historie heeft, maakt dat we ons aan boord nu al boven die cruisepassagiers verheven voelen.

De zon schijnt flauw, de windkracht is zeker zes. Na de Oranjesluis hijsen eigenaren Tom Lamsma en Marleen Visscher het enorme grootzeil en de kleinere fok. Wie wil, mag helpen.

We hebben de wind aan onze zijde: hij waait uit het zuidwesten. Als we zo doorgaan, bereiken we Enkhuizen in vijf uur, in plaats van de gebruikelijker zes of zeven. We varen hard, bijna acht knopen (bijna 15 kilometer per uur), maar het voelt toch rustig omdat we de wind in de rug hebben. We passeren Durgerdam en zien de woonflats van Almere in de verte liggen. Mijn hoofd waait langzaam leeg.

Had ik met hetzelfde gezelschap een bustochtje naar Enkhuizen of Texel gemaakt, dan waren we uitgestapt zonder een woord met elkaar te hebben gewisseld. Maar het varen verbroedert. Scheepskok Eelkelien deelt dik gesneden bruine boterhammen uit. Het achterdek waar schipper Johan aan het roer staat, wordt vanzelf steeds drukker, als ware het een keuken op een feestje. Daniël verwoordt het zo: we zitten met elkaar opgescheept.

Dus kom je als vanzelf te weten dat de zesjarige Athena weliswaar alleen Italiaans spreekt, maar het Nederlands heel goed kan begrijpen. Dat Johan nog solliciteerde als vuurtorenwachter van ‘Het Paard’, de bekende vuurtoren in Marken, maar tot zijn spijt werd afgewezen. En dat hij ’s zomers zo hard werkt dat hij in de winter alleen maar ‘uit zijn neus hoeft te eten’. Dat Tom en Marleen al jaren niet op vakantie zijn geweest, en heus wel eens gedacht hebben dat het beter was om niet altijd op elkaars lip te zitten – het schip is hun werkplek en hun woonhuis. Maar dat de truc gewoon is om ergernissen niet groter te laten worden dan noodzakelijk.

Als we flink ver op het Markermeer zijn, zien we dat uit de donkere onweerswolken aan de horizon slurfjes hangen. Windhoosjes, verklaart Tom. Niets om ons nu al zorgen over te maken. Het schip begint op de golven te bonken. Tom relativeert graag. De regen die begint te vallen, noemt hij ‘hoge luchtvochtigheid’. Hij stond wel voor hetere vuren.

Toch trekken wij passagiers dikke zeilpakken aan. Ergens zijn we opgetogen; dit is het avontuur waarvoor we gekomen zijn.

We kijken over de schouder van Johan mee op de waterkaart van het meer, waarop zelfs groepen waterplanten staan ingetekend. We zijn op de helft ongeveer, dit kan nog spannend worden. Het schip moet overstag. Dat is best een klus, met een grootzeil van 180 vierkante meter omvang. Onervaren opvarenden zoals ikzelf lopen nu alleen nog maar in de weg. Van een lichte zeeziekte word ik niet zozeer misselijk als wel duizelig. Naar de horizon blijven kijken, adviseren de anderen.

Even abrupt als hij kwam gaat de wind weer liggen. De zon breekt door, het bonken stopt. Niet vaak was ik zo dankbaar voor het veranderlijke Nederlandse weer. Door de felle lichtval lijkt de kleur van het water plotseling niet Hollands grijs, maar tropisch lichtgroen. De overtocht voelt weer als een vakantie.

Om half vijf zeilen we de pittoreske haven van Enkhuizen binnen. Onze Avontuur meert af naast De Volharding, een andere oude klipper. Morgen door naar het wad, als de wind het wil.