De wijze les van de verkneukeldans

Applaus na afloop van een film hoeft niet. Waarom zou je? De acteurs merken het niet. De regisseur evenmin. Toch, heel af en toe, kan het publiek het niet laten. Het klapt, zogenaamd voor de film, maar eigenlijk zingt het een liedje van verlangen. We zijn opgetogen. We willen niet dat alles al voorbij is.

De slottitels van Pina glijden over het scherm. Iemand begint te klappen. De zaal volgt. Ik ook en van harte. Wát een film.

Ook wie niet weet wie choreografe en theatergenie Pina Bausch is geweest, kan hier veilig naartoe. Zelfs wie niet van dans houdt, zal versteld staan van de mannen in de pakken en van de vrouwen in de sluike jurken. Ze zijn elegant, aandoenlijk, vulgair, ingetogen. Kierewiet. Het refrein van de film is Pina’s verkneukeldans. De dansers paraderen, glunderend in al hun gebaren. Dat is de kern van Pina’s universum. Oudere dansers zijn zeldzaam. Wat heb je aan hen? Pina deed ze niet weg, integendeel. Ze genoot van hen.

Ik beken. Ik was een fanaat. Kondigde het Tanztheater Wuppertal ein Stück van haar aan (de titel kwam later), dan reed ik ernaartoe. Eerst Bratwurst eten, dan Bausch zien en dan door de nacht terug, in verwarring. Haar voorstellingen waren heftig. Situaties, verwijzend naar geweld, naar de strijd tussen vrouwen en mannen, naar de zwakke die de sterke neerhaalt, naar vertedering en vrees. Altijd liepen ze over van lof voor de zotheid.

Ik zie het allemaal terug in deze film. Wim Wenders maakte hem in 3D. Dat was ik eigenlijk al zat. Een leuke kermistoer, meer werd het wat mij betreft niet, maar Wenders pakte het anders aan. Zijn 3D provoceert. Soms is een danser een monster, soms een uitknippopje en, zoals het de goede surrealist betaamt, de werkelijkheid wordt vertekend om de waarheid aan het licht te krijgen. Café Müller – Bausch’ Stück met de danseres met de gesloten ogen. Ze doolt in haar pon door een jungle van caféstoelen. Ik ken het. Ik zag het vaak, maar nooit zo compleet tot in de diepte. Applaus is gerechtvaardigd.

Er was meer ongebruikelijk geklap. In het Amsterdamse Concertgebouw heft de dirigent zijn armen. De Radio Kamer Filharmonie zet in.

Hè?

Dit is Schubert niet. Die moet even wachten. Dit is Rogier van Otterloo, Soldaat van Oranje. De eerste minuut wordt kraakhelder uitgevoerd, in verzet tegen de bezuinigingen, die ook dit mooie orkest de kop zullen kosten. Het publiek applaudisseert en stampt. Het is oorlog. De muziek is het wapentuig. Op de website soldieroforange.nl zie ik meer dan twintig, niet de minste, orkesten wereldwijd de actie steunen, met knetterende uitvoeringen van diezelfde minuut Soldaat. Bijeffect van deze oorlog: het is een feest om hun filmpjes te bekijken en om hun versies te vergelijken. Het Concertgebouworkest, gespaard bij de kortingen, ontbreekt. Misschien komt dat nog goed.

Intussen zijn in deze oorlog ook de angsthazen gemobiliseerd. Directeur Tino Haenen van het Muziekgebouw aan ’t IJ moet weg. De raad van toezicht vindt dat „jammer” en „heel vervelend”. Zijn bewind stond borg voor „prachtig repertoire” en „bijzondere ensembles”.

Maar de raad heeft, met oog op eventuele Amsterdamse bezuinigingen, liever een „andere vorm van leiderschap” – van een medeangsthaas dus. Het Muziekgebouw is gedefinieerd als „hét podium voor hedendaagse muziek in Nederland en klassieke muziek met een blik van nu”. Haenen beantwoordt daaraan, met verve. Hij plande een Bartókmarathon voor het najaar. Tv-persoonlijkheid Paul Witteman mag tot in 2012 geregeld trakteren op muziek van zijn keuze. Het is tijd voor weer een robbertje Soldaat van Oranje.

Joyce roodnat