Bevoorrechte bruinmense

Peter Vermaas bespreekt het ingewikkelde vraagstuk van de bruinmense en de onderlinge discriminatie tussen bruine en zwarte Zuid-Afrikanen over het algemeen duidelijk en genuanceerd (NRC Handelsblad, 12 juli), maar het valt niet vol te houden dat de bruinmense – de ‘kleurlingen’ – in de apartheidstijd „een soort bevoorrechte positie” hadden. In de apartheidstijd werden de zwarte Zuid-Afrikanen ver weg gestuurd, naar wat hun eigen stam- of thuisland zou zijn. Ook de kleurlingen wilde de regering kwijt. Voor hen kon ze geen ander thuisland bedenken dan de Kaap. Daar maken ze van oudsher de meerderheid uit van de bevolking. Hun „soort bevoorrechte positie” hield dus in dat zij aan de Kaap mochten blijven, of moesten blijven, maar ze werden evengoed gedeporteerd – uit de stad naar de Kaapse Vlakte, zoals Vermaas ook beschrijft. Eerder was hun al hun stemrecht afgenomen. Zoals bekend mochten ze niet in een blanke taxi of op het blanke strand. Ze mochten niet studeren op Stellenbosch. Ze mochten geen blanke baan en al helemaal geen blanke of zwarte vriend of vriendin. Bevoorrechting?

De discriminatie van alle andere groepen door de blanken sinds de komst van de Nederlanders in 1652 is een hoofdmotief in de Zuid-Afrikaanse literatuur. De gedwongen verhuizingen spelen een belangrijke rol in Ons is nie almal so nie van Jeanne Goosen. Over antizwart racisme onder kleurlingen schrijft E.K.M. Dido in ’n Stringetjie blou krale.

Eep Francken

Leiden