Begraven schatten

Nadat in 1992 op de grote Europese conferentie in Maastricht het besluit was genomen, werd het op 1 januari 2002 uitgevoerd. Twaalf Europese landen kregen dezelfde munt, de euro. Je kunt niet zeggen dat ze over één nacht ijs zijn gegaan. We moesten er wel aan wennen. Met weemoed heb ik afscheid genomen van onze halve cent, de tweeënhalve cent, het vierkante nikkelen stuivertje, de gulden en rijksdaalder. En het gouden tientje. Wat een rijke variatie!

Maar we waren ook van veel gedoe af. Geen grenswisselkantoren meer, niet meer dat uit je hoofd omrekenen van guldens in marken, francs, lires. Het heeft misschien een jaartje geduurd, maar toen was het alsof we nooit een andere munt dan de euro hadden gehad. En nu al voor een halve generatie is dit de monetaire waarheid.

Ook in de tijd van de gulden ging ik ’s zomers een poosje naar een Grieks eilandje. In het laatste jaar voor de overgang groeide mijn wantrouwen, niet beredeneerd, maar instinctief. Op de middelbare school kregen we ook economie. Ik herinnerde me de wet van Thomas Gresham: bad money drives out good money. Ik begreep er niet veel van, maar ik dacht dat hij op den duur weleens gelijk zou kunnen krijgen.

Grieken gaan op een andere manier met geld om dan wij. Voor alle zekerheid heb ik toen in een stil badplaatsje waarvan ik de naam niet zal noemen, in een plastic zakje een kleine schat aan drachmen begraven en een landkaartje met de vindplaats getekend. Het jaar daarop gecontroleerd. Alles in orde. Als de Grieken failliet werden verklaard en terug naar de drachme gingen, had ik in ieder geval genoeg geld om een dag mijn hoofd boven water te kunnen houden.

Een verhaaltje van deze strekking had ik vorige week opgeschreven, ik wilde een punt achter het laatste woord zetten, drukte per ongeluk met de linker onderknobbel van mijn linkerhand op de controltoets (ctrl) en met mijn rechter middelvinger op een lettertoets. Welke weet ik niet meer. Het hele stukje was verdwenen!

De back-up kon ik ook niet vinden. Deskundigen gebeld, de laptop draadloos laten overnemen. Ik zag de cursor van de expert over mijn scherm vliegen, hij probeerde alles. Vergeefs. Dit was me nog nooit overkomen. Uit je hoofd zo’n verdwenen stukje overschrijven, is ondoenlijk. Ik kwam tot de onvermijdelijke conclusie dat ik die ochtend, vorige week, voor niets had geleefd.

Het ging toen verder over begraven schatten in het algemeen. Er was die week in India een schat van 11 miljoen dollar in een Hindoestaanse tempel ontdekt. En nu, of de duvel ermee speelt, een beeld van de wrede en grillige Romeinse machthebber Caligula die aan het begin van onze jaartelling heeft geleefd.

Het begraven van iets kostbaars, een schat, wapens, familiepapieren is al een mystiek-romantische daad. De ontdekking verheft je even boven de tijdelijkheid van het aards bestaan. Lees van Robert Louis Stevenson Schateiland. Het is niet alleen een boek vol ongelooflijke avonturen; het is ook een verhaal waardoor je aan het platte aardse bestaan ontstijgt. Wie een schat begraaft, welke dan ook, een zak met goudstukken in een ontoegankelijk gebergte, een fotoalbum onder de vloer, wapens in de tuin – het maakt niet uit: hij verleent zichzelf een geheime macht, hij rekent erop dat hij voortleeft.

Overal liggen nog geheime schatten begraven. En toen, al schrijvend, dacht ik dat het misschien de moeite waard zou zijn eens met een metaaldetector de tuin van Paleis Soestdijk te onderzoeken. Je weet nooit wat de laatste bewoner daar begraven heeft.

Zo ver was ik vorige week gekomen toen ik die noodlottige tik op de onbekende toets gaf. Toeval? Het onderwerp in aanmerking genomen, kun je nooit helemaal zeker weten of die vinger op dat ogenblik niet door een geheime macht werd gestuurd. Maar aan de andere kant, met laptops of computers in het algemeen kunnen je de gekste dingen overkomen zonder dat je er iets van begrijpt.

Ik gebruik dit apparaat alleen om stukjes te schrijven en te versturen, voor mijn mail, Google en nog een paar simpele dingen. Daarvoor hoef ik niet te kiezen uit zestig lettertypen, aan één pagina-indeling heb ik genoeg, en wat ze bij Windows mijn ‘mappen’ noemen, geven me een goed overzicht van wat ik gedaan heb. Wat wil een mens meer?

Dan komt er een geheimzinnige kracht die de indeling van deze mappen verandert. En iedere keer nadat ik de laptop heb aangezet, springt Java op de stoep van mijn scherm om me een update te geven. Ik wil geen Java. Met vier muisklikken (wat een woord) wordt Java weggejaagd. En nu, na die spoorloze verdwijning van vorige week, neem ik geen enkel risico meer. Een USB-stickje in de laptop gestoken en na iedere vijftig tot honderd woorden een kopie gemaakt. Ook wel een gedoe, maar zo heb ik in ieder geval mijn digitale zekerheid. Als u dit stukje leest, is het goed afgelopen.