Ad-hoconderwijsbeleid

‘Goed onderwijs? Vertrouw de leraar’ kopt NRC Handelsblad op 12 juli. In reactie hierop zeg ik het volgende.

In 1974 ben ik als student gaan lesgeven. Ze konden geen bevoegde leraar krijgen. Je had toen drie lesbevoegdheden: mo A tweedegraads en mo B en doctoraal als eerstegraadsbevoegdheid.

Om goedkopere tweedegraders op te leiden, werd de lerarenopleiding opgezet. De vakkennis van deze leraren was van een ander niveau dan die van de mo A’ ers. Meer aandacht werd besteed aan onderwijskundige zaken. De vakinhoud was oppervlakkiger.

Ook verklaarde de minister de mensen met een kweekschoolopleiding tweedegraads bevoegd voor de specialisatievakken. Een tiental jaar later kon iemand ook ‘bekwaam’ worden verklaard in een ‘verwant’ vak, als een vacature niet kon worden opgevuld of als dat financieel beter uitkwam. Onze overheid slaagt er klaarblijkelijk niet in om een lerarentekort te voorzien en/of te voorkomen.

Het decentraliseren van het onderwijs, in combinatie met allerlei onderwijsvernieuwingen en kwaliteitseisen, heeft een tijdrovend onderwijsmanagement opgeleverd en leraren die behalve lesgeven allerlei andere taken moeten uitvoeren. De krappe beurs maakt van scholen organisaties waarin de kwaliteit van het onderwijs lang niet altijd meer de keuze bepaalt.

De marktwerking tussen scholen in de strijd om leerlingen vraagt om tijdsinspanning en geld, ten koste van de kwaliteit.

De overheid heeft in de afgelopen jaren plannen gemaakt om meer te investeren in het vakmanschap van de leraar, maar we plukken de vruchten van het ad-hocbeleid van de decennia daarvoor.

Als dat maar goed komt.

L.Vos

Wijchen